De ongezochte vondst

Serendipiteit is wel eens omschreven als zoeken naar een naald in een hooiberg en eruit rollen met een boerendochter. Aan de gave om iets te vinden terwijl je naar iets anders op zoek was, danken we de telefoon, diverse medicijnen, Picasso’s blauwe periode, de post-it en onze kennis over de territoriumdrift van stekelbaarsjes. Maar serendipiteit valt je niet zomaar toe: je moet competent zijn en open staan voor het ongewone en onverwachte, ook als dat indruist tegen je kennis en competentie.

Door: Bart van Ratingen

Het woord serendipiteit (Engels: serendipity) werd gemunt door de Engelse aristocraat, literator en dandy Horace Walpole. Eind januari 1754 doet hij in één van zijn talloze brieven aan zijn vriend Horace Mann verslag over zijn gave ‘overal en altijd interessante dingen te ontdekken’. Walpole schrijft: ‘Het doet me denken aan dat dwaze sprookje dat ik eens las over de drie prinsen van Serendip. Op hun rondreizen kwamen die per toeval en door schranderheid allerhande zaken op het spoor zonder dat ze ernaar zochten. Ze stelden bijvoorbeeld vast dat het pad dat ze volgden kort voordien begaan was door een muilezel die blind was aan het rechteroog. Want het gras was alleen aan de linkerkant afgevreten terwijl het rechts groener was.’

Hoewel het voorbeeld van Walpole niet heel gelukkig gekozen is (je zou dit eerder deductie moeten noemen), krijgt zijn neologisme na uitgave van zijn correspondentie al snel bredere bekendheid – eerst in literaire kringen, maar rond 1930 ook in de wetenschappelijke gemeenschap.

‘Slimme, voorbereide mensen zijn beter in staat om daadwerkelijk ontdekkingen te doen aan de hand van het toeval en serendipiteit is niets meer dan het vermogen van een alerte geest om uit toevalligheden conclusies te trekken.’

Dat is goed verklaarbaar, want het feit dat toeval een belangrijke rol speelt bij ontdekkingen is zo oud als de wetenschap zelf. Hoewel wetenschappers het zelf graag doen voorkomen alsof uitkomsten van onderzoeken het resultaat zijn van een logisch en rechtlijnig proces, gaan in werkelijkheid geniale hypotheses dikwijls samen met geniale blunders, aldus Pek van Andel. Deze voormalig oogheelkundige aan de Rijksuniversiteit Groningen is bekend als verzamelaar en verspreider van voorbeelden van serendipiteit, waarover hij het boek ‘Ongezochte Vondsten. Een ABC van Serendipiteit’ schreef.

Zuiver toeval bestaat niet

De Vlaamse historicus Gie van den Berghe schrijft op zijn aan serendipiteit gewijde website dat er legio verhalen zijn over per toeval gedane grote ontdekkingen. Newton zou de wet van de zwaartekracht ontdekt hebben toen hij een appel op zijn peer kreeg. James Watt kwam op het idee van de stoommachine door het dansende dekseltje van zijn theepot. Alexander Fleming ontdekte penicilline toen hij bij het opruimen van zijn laboratorium vaststelde dat een van de voedingsbodems verontreinigd was geraakt door een schimmel.

Maar, schrijft Van den Berghe, het probleem is dat mensen eeuwenlang het water in hun badkuip hebben zien stijgen zonder een hydrostatische wet te formuleren. Ofwel: om net als Archimedes ‘Eureka!’ te kunnen roepen, moet je dat wat er ‘toevallig’ gebeurt wel als zodanig herkennen én slim genoeg zijn om te begrijpen wat je overkomt. Menig wetenschapper zou een beschimmelde kweekplaat zonder meer in de afvalbak hebben gekieperd. Fleming niet: hij zag dat in de buurt van de schimmel geen bacteriën meer groeiden, en dat bracht hem op het idee dat de schimmel een stof moest uitscheiden die daar de oorzaak van was. Met veel moeite wist hij de stof uit de schimmel – van het geslacht Penicillium – te isoleren and the rest is history. Pek van Andel zegt daarover: “Zuiver toeval bestaat niet. Het meest geciteerde citaat uit de geneeskunde is van Pasteur en luidt: ‘Op het gebied van waarneming helpt het toeval alleen voorbereide geesten’.”

‘Dat is goed verklaarbaar, want het feit dat toeval een belangrijke rol speelt bij ontdekkingen is zo oud als de wetenschap zelf’

Kortom: slimme, voorbereide mensen zijn beter in staat om daadwerkelijk ontdekkingen te doen aan de hand van het toeval en serendipiteit is niets meer dan het vermogen van een alerte geest om uit toevalligheden conclusies te trekken. Die vaststelling doet ook Robert K. Merton, één van de grootste sociologen van de voorbije eeuw en van jongs af aan geboeid door het hoe en waarom van onbedoelde gevolgen van bedoeld handelen. In zijn in 1958 verschenen boek ‘The Travels and Adventures of Serendipity’ schetsen hij en medeauteur Elinor Barber de geschiedenis en de evolutie van het begrip serendipiteit. Ze stellen vast dat vrije associatie, openheid en alertheid voor wat nieuw en vreemd is (xenofilie) van wezenlijk belang zijn, alsmede een sociaal milieu dat dit mogelijk maakt en bevordert. Volgens Barber en Merton (trouwens ook de bedenker van het begrip ‘self-fulfilling prophecy’) kan wetenschappelijk onderzoek weliswaar niet buiten verwachtingen, doelstellingen en planning, maar werkt te veel structuur ook weer verstikkend.

Algoritmen en controleerbaarheid

Dat laatste is volgens Van Andel ook de reden dat serendipiteit enigszins op zijn retour lijkt te zijn, want vandaag de dag wordt er vooral geld ter beschikking gesteld voor resultaatgericht onderzoek met direct maatschappelijk nut (‘kennisvalorisatie’ is een favoriet scrabble-woord van veel politici). Ook het toenemend gebruik van algoritmen en het streven naar controleerbaarheid werken serendipiteit niet erg in de hand.

En dat is jammer, want het vermogen linksaf te slaan terwijl je bestemming eerder recht voor je lijkt te liggen heeft prachtige dingen opgeleverd. Voor Van Andel is dat dan ook de grote betekenis van zijn grote collectie voorbeelden van serendipiteit: ze kunnen mensen overtuigen dat ze achter een fascinatie aan moet gaan en zich moeten laten afleiden door iets merkwaardigs, in plaats van ervoor weg te lopen.