Mediterrane passie op een Amsterdams eiland

Kunstenares Eleonore Stol is een bekend gezicht in de Nederlandse kunstwereld, en een lieveling van Mediterrane critici en het zuidelijke publiek. Haar felgekleurde immense schilderijen gaan over leven, liefde. Over gevoel. ‘In Spanje, Frankrijk en Italië zijn ze sentimenteler. Ik denk dat mensen daar mijn werk beter begrijpen.’ Dirty Science zocht Stol op in haar atelier op Java-Eiland, voor een kopje koffie en een onderhoudend gesprek.

Net als bij de aanleg van de meeste andere nieuwbouwprojecten in Nederland, hebben stadsontwikkelaars een kans laten liggen bij de oprichting van het nieuwe Java-eiland. De afwisselende modern opgetrokken huizen steken weliswaar in kleur en bouw schril af tegen de klassieke achtergrond van de Amsterdamse binnenstad. En het ontwerp van verschillende architecten is anders dan andere woonblokken. Maar echt innovatief, laat staan kunstig, is het zeker niet. Het langgerekte eiland aan de Noordwest kant van de hoofdstad is dan ook nooit een centrum geworden voor creatievelingen en studenten. Een Quartier Latin waar ambitieuze ambtenaren 20 jaar terug op gehoopt hadden. Meer een wooneiland voor jonge gezinnen. Een betaalbare commune op steenworp afstand van het duurdere centrum. Een keurige middenstandswijk, zoals Nederland die al zoveel kent.

Passie

Enige uitzondering is wellicht het atelier van Eleonore Stol (geboren Noortje Stol); een licht appartement met uitzicht op water. Met aan alle wanden grote felgekleurde schilderijen. Weelderige schouwspellen met stierenhoofden, dansende naakte dames en heren. Horens, van de duivel. Werk waarin passie centraal staat. Vurig leven.

Het werk reflecteert het karakter van de maker: Stol, bijgenaamd La Roja – de rode – laat zich naar eigen zeggen bijzonder inspireren door de Mediterrane cultuur. ‚In Spanje, Frankrijk en Italië zijn mensen over het algemeen sentimenteler. Ze zijn daar meer bezig met gevoel. Met pijn in de liefde. Met geluk. Ik denk dat mensen daar mijn werk beter begrijpen.’ Haar schilderijen verkoopt dan ook goed in het Zuiden van Europa – ze heeft vaste verkoopadressen in Rome, Parijs en Milaan, en reist voor beurzen en exposities jaarlijks af naar het Zuiden. Toch blijft Stol afhankelijk van eigen land, ondanks dat de kunstmarkt hier afgelopen jaren in de crisis, een behoorlijke klap heeft gehad. ‘De overheid heeft zijn steun aan kunstenaars laten varen. Kunstenaars moeten vandaag de dag vooral ook ondernemers zijn, hoe tegengesteld dat ook moge klinken.’ Verkoop in Nederland maakt haar bestaan desondanks mogelijk. En dus houdt Stol voorlopig jaar pied-a-terre in Amsterdam aan. Burgerlijk of niet.

Kunstmaatjes

Stol heeft in Nederland een behoorlijk netwerk; ze is bekend bij handelaren en publiek. Maar zeker ook onder collega-kunstenaars. Opgeleid in schilderen en beeldhouden aan de Vrije Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag, betrok de jonge kunstenaren eerst een galerie in haar oude school. ‘Veel starters van mijn leeftijd deden dat; we waren een hechte groep. Individueel met onze ontwikkeling bezig, maar wel veel samen. ’Midden jaren negentig vestigde Stol zich in Amsterdam. Allereerst in Loods 6, een voormalige opslaghal in het Noorden van de stad. Samen met meesters-schilder Anton Martineau. ‘Wij zijn echte kunstmaatjes geworden. Meer dan gewoon vrienden. Wij waarderen elkaars schilderijen en storen elkaar niet in ons werk. Vergis je niet: er is in dit vak ook heel veel jaloezie.’

De immense doeken, tot enkele meters lang en breed, zijn veelal een verzameling van kleine voorstellingen; ontmoetingen tussen mensen. ‘Het heeft veel lagen. Veel verschillende levens’, aldus Stol. Hoewel de kunstenares naar eigen zeggen geen brede boodschap heeft die zij haar publiek wil meegeven, geen adagium, hoopt ze liefhebbers van haar immense schilderijen wel laten nadenken. ‘Over gevoel. Over liefde, verdriet. En seks, als een uitvloeisel van beiden. Hoewel er veel bloot in mijn werk voorkomt, en sommigen nog weleens een associatie met erotiek kunnen hebben, zijn mijn schilderijen niet bedoeld als erotische kunst. ’Doeken van Stol variëren in prijs van 650 euro voor een kleine pentekening tot 7.000 euro voor een bekend groot schilderij.

Reizen

Afgelopen jaren hebben voor Stol in het teken gestaan van reizen. Allereerst in 2004 naar het Griekse eiland Paros om haar werk te tonen in een openingsexpositie van de galerie van de voormalige Belgische VN-diplomaat Dirk Draaijbooms. ‘Naar goed gebruik worden alle nieuwe zaken die op het eiland hun deuren openen, ingezegend door de hoogste geestelijke leider. Zo ook het werk, inclusief de vele naakten, dat ik er toonde’, grapt Stol. Hetzelfde jaar hing haar werk even verderop in Athene, in het Nederlands Instituut. Drie jaar later keerde de kunstenaren met haar doeken terug naar het eiland. En drie jaar later weer, voor de expositie ‘Stol’s Back’. De kunstenares maakte toen als performing act een 12 meter lang panorama in de galerie. In 2011 exposeerde ze in Venetië in het Palazzio delle Prigioni, een voormalige gevangenis op steenworp afstand van het beroemde San Marcoplein, aan de vooravond van de Biënnale. Vorig jaar was Stol in Rome waar haar werk aangetrokken werd door Galerie Bell’Italia en Galerie Polid’Arte die haar werk opnam in de expositie van het kunstfestival van Spoleto.

Heeft Stol nog toekomst plannen? Anders gezegd, wordt het met haar 68 jaar niet tijd om van haar pensioen te genieten en haar schilderskwasten opzij te schuiven? ‘Absoluut niet. Ik kan niet zonder mijn kunst. Ik blijf geïnspireerd door het reizen; door de architectuur die ik zie, en de mensen die ik ontmoet. Door het leven. Ik blijf dan ook werken tot aan mijn dood.’

 

Planten en dieren

Het is zomer en dus staat de natuur in Nederland in volle bloei. Waar je nou beter genieten van alle prachtige flora en fauna dan in een dierentuin?

Historische stadstuin

Natura Artis Magistra (‘de natuur is de leermeesteres van de kunst en wetenschap’) of kort ‘Artis’ is de oudste dierentuin van Nederland. Opgericht in 1838 in de Plantagebuurt (toen nog een groene buurt aan de rand van het uiteiendende Amsterdam) is Artis tegenwoordig een oase van rust in het dichtbevolkte Amsterdam Oost.

Met zijn bijna 30 monumentale gebouwen, onder welke een neo-classistisch ‘roofdierengebouw’ en een imposant Aquarium (waarin niet alleen de exotische waterwereld getoond wordt, maar ook het leven onder het wateroppervlak in de hoofdstedelijke grachtengordel), is het park, los van de vele inheemse diersoorten die er getoond worden, alleen al vanuit historisch oogpunt een bezoek waard. Ondanks een ingrijpende face-lift van het park, die afgelopen jaren heeft plaatsgevonden, ademt het de dierentuin nog altijd de sfeer van het rijke ‘koloniale’ verleden uit de Amsterdamse negentiende eeuw; een tijd waarin Nederlandse handelsreizigers geinteresseerd raakten in de rijke flora en fauna in de nieuwe wereld en op grote schaal exotische dieren meenamen om in de stad te tonen.

Hoogtepunten in Artis zijn het uitgebreide Apenhuis, het Oliefantenpark, het in 2007 geopende planetarium en de imposante vlindertuin waar vele tienduizenden vlinders op de voorbij schuifelende publiek neerdalen. Komende jaren staan verder een groot aantal uitbreidingen gepland van ‘de koninklijke’ dierentuin; zo moet in het kader van het ‘Masterplan Artis’ in 2020 een bijbouw gereed komen aan de noord-westkant van het park met een kennistuin gewijd aan de geschiedenis van de wetenschap en een ‘microzoo’ voor schimmels en bacterien.

Wie lange rijen bij de kassa en drukte in het park wil voorkomen, doet er in de zomermaanden goed aan een reserveringen te maken voor de ZOOmeravonden; een begeleid bezoek aan delen van het park na de officiele sluitingstijd. Normale toegangsbewijzen voor Artis zijn relatief duur – bijna € 20 voor volwassenen en € 16,50 per kind. Er worden echter ook abonnementen verkocht voor het dierenpark waarmee u voor iets meer dan € 75 een jaar lang toegang hebt tot Artis.

Monkey business

De Apelheul in Apeldoorn (in het Oosten van Nederland) is een dierenpark geheel gewijd aan primaten. De oprichters van de Apenheul hebben er alles aan gedaan om het park zo natuurlijk mogelijk te laten lijken; er zijn geen zichtbare hokken en hekken en tralies. De meeste kleine apen lopen vrij tussen de bezoekers rond (het is dan ook zaak om brillen, tassen en andere persoonlijke bezittingen goed bij zich te dragen), grotere soorten als gorilla’s, bonobo’s en oerang-oetangs leven achter een goed verdekte gracht. Leden van de Nederlandse automobilistenvereniging ANWB verkozen de Apelheul dit jaar als een van de drie leukste attracties van Nederland.

Onderwaterwereld
Onderdeel van de internationale keten Sea Life, de grootste aquarium uitbater ter wereld. Sea Life Scheveningen ligt aan de boulevard van het strand bij Den Haag, waar vroeger het golfslagbad gevestigd was. Te zien zijn vele soorten vissen als haaien en roggen, maar ook zeeschildpadden en otters. Er is een grote glazen tunnel door het aquarium waar bezoekers zich als het ware tussen de vissen wanen. Een ideale dagbesteding voor wanneer het weer ons in de zomer in de steek laat. En dat gebeurt niet zelden in Nederland.

Op Safari

Koninklijke Burgers’ Zoo is met ruim 1,5 miljoen bezoekers de best bezochte attractie van Gelderland, en de op drie na populairste bestemming in Nederland. Het in Arnhem (Gelderland) gelegen park loopt al jaren voorop in het houden van exotische dieren in groepen. Dieren worden van het publiek gescheiden door kunstmarttige rotspartijen en grachten en leven vrij zichtbaar op enorme terrassen en in brede valleien. Burgers’ Zoo heeft verschillende safariroute’s waaronder De Bush, De Desert en De Rimba.

Vlinders

Grootste tropische vlindertuin van Europa gelegen nabij het natuurgebied de Havelterberg in het Zuidwesten van Drenthe. Het Papiliorama – oefen op die naam voor u de weg vraagt naar het park – heeft een ruim 900 vierkante meter grote vlinder kas waarin vele honderdduizenden vlinders rondfladderen, of achter glas (de giftige en zeer zeldzame exemplaren) getoond worden. Daarnaast biedt het park uitzicht op vele veelkleurige bloemen en planten. Het vlinderparadijs wordt binnenkort uitgebreid met een ondergronds insectatirum en een tropische tuin.

Beweging in de Amsterdamse kunstmarkt

Adriana Gonzales Hulshof, dochter van een Peruaanse vader en een Nederlandse moeder, is internationaal georiënteerd op hedendaagse kunst. Maar ze maakt ook grote naam met haar stichting Capital A binnen de Nederlandse kunstwereld. Zo organiseert Gonzeles jaarlijks het goedbezochte kunstevenement Amsterdam Art Weekend, dat zich er op richt om de hoofdstad in de kijker te houden van internationale kunstenaars, verzamelaars en galeries.

Adriana Gonzales is oprichter van Capital A, een stichting die zich inzet ter bevordering van hedendaagse kunst in Amsterdam. Gonzales werkt hierin nauw samen met de Rijksacademie voor beeldende kunst, zij en haar compagnon hebben een kantoor in het gebouw van de academie. En met ruim 30 nationale en internationale galeries. ‘Capital A heeft als doel om kunstenaars met galeries in contact te brengen. En om het brede publiek op een creatieve manier in contact te brengen met hedendaagse kunst.’

Hiervoor organiseert Gonzales sinds 2012 het jaarlijkse Amsterdam Art Weekend (AAW)– een serie openingen, tentoonstellingen en lezingen over hedendaagse kunst. ‘En om Amsterdam als kunststad op de kaart te houden.’ En met succes: de tweede editie van het evenement trok ruim 15.000 bezoekers. Mede door samenwerking met het internationale documentaire festival IDFA.

 

Subtiliteit

Gonzales groeide op in Zuid-Amerika; op haar tiende verhuisde ze naar Nederland. ‘Mijn ouders hebben elkaar ontmoet in de wetenschap in Peru. Mijn vader was econoom en bijzonder politiek betrokken’. Na enkele jaren in Lima gewoond te hebben, verhuisde het gezin naar Mexico. Acht jaar later vertrok Gonzales met haar ouders terug naar Nederland. Naar Gouda om precies te zijn. Gonzales: ‘In Latijns Amerikaanse landen is er veel meer subtiliteit in gewoonten. Mensen ogen warmer en gastvrijer. Ik kan me herinneren dat ik na school niet met vriendjes mee mocht eten. Dat is in Peru en Mexico ondenkbaar. Je schuift gewoon aan’. Ook de plattere hiërarchische verhoudingen in Nederland vielen de jonge Gonzales op: ‘In Zuid Amerika heb je groot respect voor je docenten. Je gaat naast je bureau staan als je een vraag hebt. Hier roept iedereen in de klas door elkaar heen.’

In 2000 begon Gonzales aan een studie kunstgeschiedenis. Eerst in Utrecht, later in Amsterdam. ‘Ik vind de hoofdstad een geweldige plek om te leven. Het is er groen, veilig en schoon. En ondanks dat de stad maar klein is, heeft Amsterdam een geweldig ontwikkelde culturele sector.’ De jonge studente koos er voor om naast haar studie ook direct werkervaring op te doen in de kunstsector. ‘Ik adviseerde bedrijven – vooral kleine financiële instellingen en banken – over de aankoop van kunstcollecties’. Daarnaast liep Gonzales stage bij veilinghuis Christie’s in Amsterdam. En werkte de kunsthistorica bij galerie Paul Andriesse aan de Prinsengracht.

 

Mexicaanse kunst

In 2010 vertrok Gonzales terug naar Mexico. ‘Ik wilde mijn horizon verbreden en zien hoe de kunstwereld in Latijns Amerika ontwikkeld is, en in het bijzonder hoe de relatie is tussen kunstenaars en Musea.’, aldus Gonzales, ‘Mijn bezoek was echt een eyeopener; Mexico trekt kunstenaars vanuit de hele wereld. De rijk ontwikkelde cultuur en ook de natuur geeft veel inspiratie. Opvallend is ook dat in Mexico veel jonge kunstenaars succesvol zijn. Een aantal daarvan is inmiddels doorgedrongen tot de internationale top en exposeert op beurzen als Art Basel in Miami.’ Die ervaring bracht Gonzales er toe om zich ook na terugkomst in Nederland in de Latijns Amerikaanse kunstwereld te blijven verdiepen. ‘Ik ben gaan werken voor het Prins Clausfonds – een instelling die zich richt op het bevorderen van culturele manifestaties op het zuidelijk halfrond en om exposities van werk uit de regio in Nederland te tonen.’ Gonzales heeft voor het Prins Clausfonds diverse tentoonstellingen begeleid en opgezet. ‘Cultuur is echt een bindende factor. Het maakt gesprekken mogelijk tussen mensen met verschillende achtergronden.’

 

AAW

Aankomende editie van het AAW staat gepland voor oktober. Ook dan verwacht de initiator vele duizenden bezoekers en bijna 45 partijen in de kunst te kunnen betrekken.

‘Amsterdam, en in het bijzonder de Rijksacademie hebben een grote naam wereldwijd. Er gaat niet zoveel geld in om als in andere wereldsteden. Maar je bent hier, door de goede opleidingen in staat om jong talent te scouten; de kunstenaars van de toekomst’. Gonzales verzet zich dan ook sterk tegen bezuinigingen in de culturele sector: ‘De politiek kijkt vooral naar bezoekersaantallen van musea. Maar dat is niet de enige factor van waarde voor cultuur. Wil je als samenleving een kunstwereld in stand houden dan moet je niet alleen kijken naar populair werk, maar ook investeren in jonge opkomende kunstenaars met wellicht minder naam. Die voedingsbodem is door dramatische bezuinigingen ernstig aangetast.’

Nieuws en kunst

Musicus John Lennon met zijn vrouw Yoko Ono op bed in een suite van het Amsterdamse Hilton hotel. Met een gitaar tussen de lakens, een dienblad met gebruikt chroom koffieservies op het kussen en in de hoek zelfs een echte Nederlandse fiets. De iconische beelden van de Bed-In in 1969 – een vreedzaam protest van de voormalige Beatle-voorman en zijn Japanse echtgenote tegen de oorlog in Vietnam in – zijn onderdeel geworden van de popcultuur; een hoogtepunt uit de jaren zestig en zeventig.

Fotograaf Nico Koster maakte als een van de weinige genodigde fotografen een serie portretten van het beroemde koppel tijdens de weeklange actie. De beelden raakten echter zoek, met uitzondering van de foto die gebruikt werd voor de openingspagina van De Telegraaf, en zodoende ook verkocht werd aan een groot aantal buitenlandse kranten. Tot het rolletje met daarop het wereldberoemde materiaal enkele jaren geleden bij toeval teruggevonden werd in het archief van de ochtendkrant. Afgedrukte originelen uit De ‘Hilton-collectie’ zijn tegenwoordig goed voor duizenden euro’s.

Persfotograaf

Koster werkte ruim 25 jaar als persfotograaf voor De Telegraaf; van 1963 tot 1989. Zijn omvangrijke oeuvre, dat grotendeels bestaat uit beelden van kunstenaars en muzikanten, heeft behalve grote nieuwswaarde de laatste jaren ook een plek gekregen in de kunstfotografie. Koster’s werk van grootheden als Marc Chagall, Willem de Kooning en Karel Appel vindt steeds meer aftrek. Vooral bij een jonger publiek. Het wordt los verkocht, of als beeld in aantrekkelijke kunstbiografien.

Koster: ‘Afgelopen jaren is fotografie steeds belangrijker geworden als kunstvorm. Het aantal fotografiemusea stijgt net als de verkoop van materiaal op grote beurzen in binnen- en buitenland’. Reden voor die groeiende populariteit is volgens de fotograaf vooral de technische ontwikkeling en de dalende prijzen voor goed materiaal. ‘Cameraatjes op smart-phones hebben veelal een zelfde of hogere resolutie dan professionele apparatuur waarmee ik in het begin van mijn carriere werkte. Fotografie is toegankelijker geworden. De zilveren camera [red. een prijs voor de beste nieuwsfoto van het jaar] kan tegenwoordig gewoon op een telefoon worden geschoten.’

Telegraaf

Koster studeerde eind jaren vijftig aan de Grafische School in Amsterdam; een vakopleiding waar, veel meer dan op het creatieve aspect, de nadruk lag op technische kennis van fotografie. Na zijn opleiding en militaire dienst, waarin de fotograaf vooral beelden mocht maken van militaire bases in Nederland en hooggeplaatste officieren, klopte Koster aan bij dagblad De Telegraaf. ‘Ik kreeg een baantje in de donkere kamer van de krant als ontwikkelaar van nieuwsfoto’s.’ Al snel bleek echter dat Koster’s grote kwaliteit vooral ook lag in het schieten van materiaal zelf. ‘In mijn eerste week had ik avonddienst, toen de Amerikaanse president Kennedy vermoord werd. Ik ben toen met een camera de straat op gegaan om reacties van mensen in beeld te brengen’. Zijn foto’s van aangeslagen publiek bij de Amsterdamse bioscoop Tuschinski werden de volgende dag gepubliceerd. Koster kreeg een vaste aanstelling als fotograaf bij de uitgeverij.

Kunstwereld

Koster werkt tegenwoordig vooral vanuit huis. Zijn studio, gelegen aan de rand van een bos in Amsterdam-Noord – in een kolonie van kunstenaars en creatieve ondernemers -, oogt als een museum. Het ademt bijna vijf decennia van fotografisch verleden. Er staan boekenkasten vol biografien en kunstboeken van vooral Karel Appel – van die laatste maakte Koster een serie foto’s (met een vliegtuigmodel in de hand) voor het voormalige WTC in New York; ‘toevalstreffers’, maar door hun voorstelling wel bijzonder populair. Maar ook artefacten en memorabilia die Koster verzameld heeft in contact met grote schilders en beeldhouwers. ‘Ik ging heel graag met kunstenaars om. Het wereldje heeft me altijd getrokken; en dan vooral de vrijheid die creatievelingen zich zelf toeeigenden. Ik was veel in ateliers te vinden, maar ik ging ook graag met ze op reis. Zoals met kunstenaar Corneille naar Cuba voor een serie tentoonstellingen. Echt een hele extravangta tijd’, erkent Koster.

Hoewel het werk van de beroepsfotograaf tegenwoordig steeds vaker als kunst erkend wordt, blijft Koster nuchter onder zijn succes. ‘Ach, wat is kunst? Ik wil niet een boodschap uitdragen. Of een verhaal vertellen. Meer ga ik voor schoonheid. En kwaliteit van een portret. Ik zelf ben niet zo van de poeha’.

Tegelijkertijd erkent de fotograaf, dat de druk op vakgenoten tegenwoordig flink is toegenomen. ‘De betalingen voor beeld zijn een stuk lager geworden. Fotografen moeten veel meer produceren. Vooral als ze in dienst zijn van een krant of tijdschrift of als freelancer werken.’

Hoe Jack Ma de Alibaba Group naar grote hoogte stuwt

Vanuit zijn hoofdkantoor in Hangzhou bouwt de bijna 53-jarige Jack Ma al jaren aan een ongekend succesverhaal. Voorlopig hoogtepunt: na de mededeling dat de omzet dit jaar 45 tot 49 procent zal groeien, knalde de beurswaarde van Alibaba Group in juni omhoog naar meer dan 350 miljard dollar. Alibaba behoort nu tot de tien meest waardevolle bedrijven ter wereld. Met zijn belang van 8 procent verdiende Ma 2,8 miljard dollar in één dag.

Het grootste geheim van zijn succes is misschien wel dit: Ma weet altijd extreem goed waarmee hij bezig is. Als kind leerde hij zichzelf Engels spreken door in Hangzhou rondleidingen te geven aan Westerse zakenlieden die het land bezochten. Als leraar Engels belandde hij midden jaren negentig in de VS, waar hij kennismaakte met het prille fenomeen internet. Hij was meteen gefascineerd. Toen hij in 1997 in Peking als tolk optrad voor Yahoo-oprichter Jerry Yang, liep hij al rond met het plan een eigen internetbedrijf te beginnen. ‘Hij was nieuwsgierig, zelfverzekerd en duidelijk gretig om meer te leren over die nieuwe digitale wereld’, vertelde Yang later aan Forbes.

In 1999 zag Alibaba het levenslicht, een digitale marktplaats die het best te vergelijken is met het Amerikaanse eBay. Via de platformen Taobao en Tmall konden allerhande bedrijven voortaan online hun waren aan de Chinese consument verkopen. Alibaba groeide uit tot de absolute marktleider in China, met 80 procent marktaandeel. Een markt die bovendien al jaren angstwekkend hard groeit. Chinezen kopen álles online. In 2016 had Alibaba 443 miljoen Chinese klanten en een omzet van 21,7 miljard dollar. Alibaba koopt zelf niets in en heeft nauwelijks activa: het verdient vooral aan de transacties en advertenties. Een bizar profijtelijk businessmodel: de winst bedroeg afgelopen jaar 5,8 miljard.

Bij de beursgang in New York, in 2014, werd Alibaba gewaardeerd op 25 miljard dollar; ruim meer dan Facebook en Amazon tijdens hun IPO. Sindsdien richt Ma – die formeel in 2013 terugtrad als topman, maar nog alle beslissingen neemt – zich pas echt op het veroveren van de wereld: buitenlandse bedrijven worden verleid om via Alibaba de Chinese markt te betreden, Westerse consumenten kunnen via zijn platformen een paar bizar goedkope Nike Air Max bestellen. Enig nadeel bij dat laatste: echtheid kan niet worden gegarandeerd.

 

“Vooral bedrijven onderschatten cybercriminaliteit”

Volgens Fox-IT-voorman Christiaan Prickaerts lopen Nederlandse ondernemers een groot risico online doordat zij onvoldoende investeren in goede beveiliging. Kwaadwillende hackers lopen volgens de expert jaren voor op het bedrijfsleven. Hij verwacht komende jaren een enorme toename in het aantal incidenten en daarmee een miljardenstrop voor de Nederlandse economie als gevolg van cybercriminaliteit.

Vanuit China schiet een serie lichtflitsen richting het Oosten van de Verenigde Staten. Doel van de digitale raketten: de staat Virginia. Waarschijnlijk het hoofdkantoor van inlichtingendienst CIA. Snel na de eerste aanval volgt nog een bundel. En daarna nog een. Dan komt Pakistan in actie. Kwaadwillende hackers schieten vanuit midden-Azië op het technologische centrum in Sillicon Valley. De wereldkaart op de site van het Amerikaanse bedrijf Norsecorp geeft een fascinerend beeld van de cyberaanvallen die ieder moment van de dag plaatsvinden. Tegelijkertijd maakt de realistische livestream-uitzending, waarin nog niet eens kleinschalige elektronische inbraken zijn meegenomen, pijnlijk duidelijk hoe ernstig het gesteld is met internetcriminaliteit. “Het is oorlog”, aldus Christiaan Prickaerts van het Delftse IT-beveiligingsbedrijf Fox-IT.

Ongelijke strijd

Criminelen hebben het in hun strijd niet alleen gemunt op miljardenbedrijven, inlichtingendiensten en overheden. “Zo’n beetje iedereen die aangesloten is op het net, is potentieel slachtoffer”, meent Prickaerts. De belangrijkste doelwitten op de Norsecorp-kaart blijken in de praktijk relatief goed bestand tegen grootschalige aanvallen. Zorgwekkender vindt Prickaerts de staat van verdediging van kleinere bedrijven. “De meeste ondernemers onderschatten het gevaar van cybercriminaliteit. Nederlanders vormen daarin helaas geen uitzondering”, aldus de IT-beveiliger.

Prickaerts baseert zich op zijn eigen ervaring in het bedrijfsleven: in krap zestien jaar tijd is het Fox-IT, opgericht door whizzkids Menno van der Marel en Ronald Prins, uitgegroeid tot de grootste internetbeveiliger in de Benelux. Het bedrijf heeft zo’n 2.000 techneuten in dienst die voortdurend in de weer zijn om internetcriminelen de pas af te snijden. Dat lukt volgens Prickaerts ten dele: “Absolute veiligheid kunnen wij niet bieden. Het is een ongelijke strijd: Hackers investeren veel meer dan bedrijven.”

Fox-IT heeft inmiddels niet alleen de overheid als klant, ook vele honderden bedrijven in de retail, de telecombranche en de medische sector rekenen op ondersteuning van Prickaerts en zijn collegae. Dat er zoveel vraag is naar de diensten van het beveiligingsbedrijf komt naar eigen zeggen vooral door de spectaculaire toename aan het aantal online-incidenten. Daarbij meegerekend dat Fox-IT een van de weinigen in het vakgebied is die zich heeft gespecialiseerd in cryptografie – het versleutelen van digitale bedrijfsgegevens.

Schade en schande

Dat er in de Nederlandse media – uitgezonderd enkele grappig-bedoelde voorlichtingsfilmpjes op televisie – relatief weinig aandacht is voor cybercriminaliteit, en er zelfs geen officiële statistieken over internetinbraken beschikbaar zijn, wil volgens Prickaerts niet zeggen dat de schade in ons land als gevolg van cyberaanvallen beperkt is. “Op basis van gegevens van onze klanten weten wij dat de meeste organisaties er bijna dagelijks mee te maken krijgen. De schade als gevolg van internetcriminaliteit loopt mogelijk op tot miljarden per jaar.”

Online inbraken kunnen leiden tot schade aan organisaties, door diefstal van bedrijfsgeheimen en markt- en productinformatie. En zelfs tot een daling van de omzet.

Falende beveiliging tast ook het vertrouwen aan dat klanten in organisaties hebben, legt Prickaerts uit. Enkele jaren terug werd het Nederlandse bedrijf Diginota, de leverancier van online certificaten, slachtoffer van een grootschalige cyberaanval. Prickaerts: “Na het nieuws van de inbraak liepen klanten weg bij het bedrijf. Klanten voelden zich niet veilig bij het bedrijf. Diginota is uiteindelijk op de fles gegaan.”

Open deur

Het risico van internetaanvallen vermindert komende jaren volgens Prickaerts niet. “Ik verwacht eerder een toename aan incidenten.” Een toename aan het aantal tools waarmee werknemers, relaties en klanten toegang kunnen krijgen tot bedrijfsinformatie draagt daaraan bij. “Bedrijven zijn 24 uur per dag benaderbaar via de computer maar ook smartphones en tablets.” Beveiliging van bedrijfsinformatie wordt veelal onnodige kostenpost gezien, omdat deze investeringen niet bijdragen aan de omzet. “Het effect van zware maatregelen is niet te meten. Pas als het fout gaat, wordt duidelijk hoe belangrijk passende beveiliging eigenlijk is.”

E-politie

“Het internet is een vrijstaat”, vervolgt Prickaerts. “Dat biedt natuurlijk heel veel voordelen. Maar het beperkt ook de mogelijkheden om met een internet-politie criminelen op te sporen. Wanneer kwaadwillende hackers toch gepakt worden, is vervolging ingewikkeld omdat niet te bepalen is onder welke jurisdictie crimineel gedrag valt.”

Daarbij kunnen bedrijven ook maar beperkt gedwongen worden om gegevens van werknemers, klanten en relaties te beveiligen. Aansprakelijkheid is nogal vaag geregeld, meent Prickaerts. “Wanneer een inbraak heeft plaatsgevonden en gevoelige informatie op straat is komen te liggen, kunnen bedrijven alleen gedwongen worden om hierover naar buiten te treden wanneer het gaat om persoonsgegevens, medische informatie en financiële documentatie van Nederlandse ingezetenen.”

Uitdagende werkomgeving

Er is veel vraag naar hoogopgeleide IT-experts, meent Prickaerts. Het aantrekken van goede krachten voor internetbeveiliging is daarom niet een, twee, drie gedaan. “Bedrijven moeten investeren in een aantrekkelijke omgeving voor data-beveiligers. Door hen voldoende verantwoordelijkheid te geven en te investeren op een aantrekkelijke en uitdagende werkomgeving.” Bedrijven die niet in staat zijn om de hoge kosten voor eigen IT-personeel te dragen, moeten volgens Prickaerts met anderen in de sector in gesprek moeten gaan over gedeelde veiligheidskwesties: “MKB’ers werken nog veel te weinig samen; iedereen gaat op eigen kracht met de veelal complexe materie aan de slag. De resultaten van deze aanpak zijn vanzelfsprekend teleurstellend.”

Daarbij zouden bedrijven in gesprek met leveranciers cybersecurity een veel belangrijkere rol moeten laten spelen, meent Prickaerts: “zijn deze partners in staat om mijn gegevens op een acceptabele manier te beschermen?” Ook klanten zouden zich deze vraag volgens de IT-man vaker moeten stellen.

Raadsheer in spijkerbroek

Volgens advocaat Piet-Hein Boekel staat zelfs een traditionele sector als de advocatuur op punt te veranderen. De concurrentie onder de duizenden befjes in Nederland is afgelopen jaren flink toegenomen. Hoge uurtarieven dalen en maken in sommigen gevallen plaats voor vaste prijs-modellen. Wie niet verandert, meent de oprichter van Certa Legal, is gedoemd om te verdwijnen. Een gesprek met de opvallend informeel geklede jurist op zijn hoofdkantoor aan de Amsterdamse Keizersgracht.  

Na jaren in de Nederlandse tennistop richtte Piet Hein Boekel zijn pijlen vanaf 1999 op de juristerij. De advocaat diende zes jaar voor het Amsterdamse kantoor Van Steenhoven voor hij in 2004 met anderen Certa Legal oprichtte. Legal Matters, dat eind 2014 het levenslicht zag, ondersteunt MKB-bedrijven met juridisch advies tegen vaste prijzen. Online biedt die innovatieve dienstverlener klanten een contracten-generator aan waarmee heel gemakkelijk arbeidscontracten, verkoopovereenkomsten en stichtingsakten kunnen worden opgesteld. Boekel is naast zijn juridische werk een van de oprichters van Startup Bootcamp.

Geen strak advocatenpak voor u – verwacht u geen clienten meer vandaag? 

Die zien me al aankomen in een krijtstreep! Ik geloof niet zoveel in decorum. Dat werpt alleen maar extra barrieres op.

Waarschijnlijk komen de meeste MKB’ers in uw klantenkring ook in spijkerbroek naar uw kantoor.

Met de meesten heb ik vooral telefonisch en via de mail contact. Certa Legal richt zich overigens niet alleen op kleinere ondernemers. Het bedrijf ondersteunt ook grootzakelijke bedrijven als Tommy Hilfiger, Calvin Klein en waterschoenfabrikant Crocks. Ik zelf ben gespecialiseerd in intellectueel eigendom en sportrecht. In dat laatste vakgebied ben ik vooral gerold door mijn verleden als tennisprof.

U hebt nog een korte carriere achter de rug als topsporter. Waarom hebt u het gravel uiteindelijk verruild voor de werkvloer?

Ik zag uiteindelijk meer toekomst voor mijzelf in het bedrijfsleven dan als tennisprof. Zo ben ik na een studie rechten op mijn 21e aan de slag gegaan bij advocatenkantoor Van Steenhoven, hier verderop aan de grachten. Na enkele jaren realiseerde ik mij dat het traditionele bedrijfsmodel van de advocatuur toe was aan verandering. Ik ben toen met een aantal anderen Certa Legal begonnen. En met succes: met tien jaar op de teller heeft het bedrijf inmiddels 41 werknemers in Amsterdam en Curacao.

Wat wilde u anders doen dan uw collega-advocaten?

De economie past zich voortdurend aan. De advocatuur gek genoeg, is in krap 200 jaar tijd amper veranderd. Zo hebben wij allereerst de structuur van ons bedrijf aangepakt: wij hebben weliswaar partners, maar ook een directeur die toeziet op ontwikkeling van het bedrijf en het binnenhalen van nieuwe business.

Door deze moderne indeling hoeven strategische beslissingen niet meer door meerdere mensen goed worden gekeurd, en kunnen we sneller schakelen. Dat is nodig om op voordurende veranderingen in de markt te kunnen reageren.

Verder geloven wij niet in een stricte hierarchie: bij ons profiteert iedereen van groei; alle medewerkers – van senior-partner to receptionist – delen in de winst. Daarmee zijn wij een stuk aantrekkelijker voor veelbelovende jonge juristen en houden we de kwaliteit van ons bedrijf hoog.

U zegt ook een stuk goedkoper te zijn dan uw concurrenten.

Het traditionele verdienmodel, dat er op gericht is om zoveel mogelijk uren te schrijven, conflicteert in veel geval met het belang dat klanten hebben. De meeste bedrijven vragen om snelle en efficiente oplossingen, advocaten zoeken het liefst een zaak tot de bodem uit en gaan als het mogelijk is ook graag procederen. Wij proberen meer naar klanten te luisteren om samen tot een plan van aanpak te komen.

Daarbij komt dat prijzen een stuk inzichtelijker geworden zijn afgelopen jaren.

Bedrijven ‘shoppen’ om de beste advocaten tegen de laagste prijs te vinden. Vaste contracten voor juridische dienstverlening worden bijna niet meer afgesloten. Door toegenomen concurrentie en een overvloed aan advocaten – er zijn bijna 18.000 raadsheren geregistreerd waarvan meer dan een kwart kantoor houdt in Amsterdam – zijn tarieven flink gedaald. Daar profiteren bedrijven uiteindelijk van.

Komt door die prijzenoorlog het niveau van juridische dienstverlening in Nederland niet in gevaar? Aan kwaliteit hangt immers een prijskaartje.

Dat is maar de vraag. Het is heel moeilijk om juridisch te waarderen. Mag je een uurloon van 500 of 600 euro vragen als je een klant met advies miljoenen bespaart? En hoe zit dat bij eenvoudigere zaken? Ik geloof sowieso dat voor de meeste problemen waar kleine ondernemers tegenaanlopen standaardoplossingen bestaan. Duurbetaalde advocaten zijn veelal niet nodig; het werk kan ook prima door ‘gewone’ juristen gedaan worden tegen een lagere prijs.

U bent daarom ook Legal Matters begonnen – een bedrijf dat vooral MKB’ers met standaard documentatie ondersteunt tegen vaste prijzen.

Legal Matters is een juridische abonnementdienst voor kleine ondernemers. Klanten van het bedrijf kunnen online met onze speciaal ontwikkelde contractgenerator overeenkomsten opstellen. Daarnaast bieden we telefonische ondersteuning aan. Legal Matters werkt daarvoor alleen met ‘gewone’ juristen. Advocaten zijn duurder doordat ze geschoold zijn om ook te procederen. Dat is in de meeste zaken voor MKB’ers helemaal niet relevant. Ik geloof dat je als advocatenkantoor kleine ondernemers kunt helpen door met hen mee te ondernemen.

Hoe doet u dat?

Afgelopen jaren hebben wij als advocatenkantoor een groot netwerk opgebouwd. Dat kan je op allerlei manieren inzetten om je klanten te helpen. Bij voorbeeld door te ondersteunen in het aantrekken van financiers. Of door leveranciers en afnemers aan elkaar te koppelen.

Volgen andere advocatenkantoren uw innovatieve aanpak?

Sommigen wel. Feit is dat advocatenkantoren meerwaarde moeten bieden om te overleven. Grote kantoren met een internationaal netwerk slagen er tot op heden in om grensoverschrijdende zaken naar zich toe te trekken. Kleinere firma’s zijn succesvol als ze zich specialiseren.

En bedrijven die geen van beiden doen?

Die zullen op langere termijn verdwijnen. Nu al zijn een aantal spelers omgevallen. Komende jaren neemt die schifting alleen maar verder toe. Overigens denk ik dat in deze ontwikkeling kleine kantoren een voordeel hebben. Die kunnen relatief gemakkelijk hun strategie wijzigen.

Technische vernieuwingen maken veranderingen in de advocatuur relatief gemakkelijk. Hebt u al een Ross Robot in dienst (zie kader)?

Nog niet. Het apparaat is voorlopig nog in ontwikkeling. Technologische ontwikkelingen als de Ross Robot houd je niet tegen en helpen om een traditionele sector als de advocatuur ten goede te veranderen. Ik geloof overigens niet dat apparaten als de Ross Robot ooit voor de rechter zullen staan. Procederen en het overwegen van verschillende juridische mogelijkheden blijven mensenwerk.

Machines maken het werk van juristen wel een stuk lichter.

Absoluut. Ons werk wordt schaalbaard door gebruik van hoogwaardige technologie. Daarmee kunnen we meer bedrijven ondersteunen, en kunnen onze marges en uurlonen omlaag.

The deal of the arts

De beroemde kunsthandel Reflex Galerie organiseert jaarlijks zes tentoonstellingen gewijd aan het werk van beroemde schilders, tekenaars en fotografen en opkomend talent. Daarnaast publiceert het kunsthuis prachtige boekwerken in samenwerking met talloze vermaarde kunstenaars. Een gesprek met eigenaar Alex Daniels.

Alex Daniels is niet alleen handelaar, maar ook uitgever en kunstenaar. Maar bovenal is de markante Amsterdammer een netwerker. Zijn galerie, gevestigd tegenover de hoofdentree van het Rijksmuseum, aan de kop van de kunstbuurt Spiegelkwartier, is een ontmoetingsplek van kunstliefhebbers. Zoveel wordt ook duidelijk bij een bezoek aan het kantoor in de catacomben van het voormalige bankgebouw. Vele honderden foto’s kleuren de muren van de werkruimte van de handelaar; herinneringen aan ontmoetingen met wereldsterren als de Japanse fotograaf Nobuyoshi Araki en regisseur Woody Allen, internationale verzamelaars en jonge geïnteresseerden uit de buurt. Dit voorjaar moet het werk van de opkomende tekenaar Iris Schomaker voor nieuwe aanwas zorgen. Tijdens ons bezoek eind februari, legt Daniels de laatste hand aan de overzichtstentoonstelling. “Het wordt weer een feest. Ik krijg nu al aanvragen uit binnen- en buitenland”, aldus Daniels.

Dat heb je behoorlijk goed gedaan. Je bent nét 43 en nu al eigenaar van een van de meest in ’t oogspringende kunstcentra in de hoofdstad.

Ik werk hard om steeds vooraan te blijven lopen. Mijn ouders zijn altijd verzamelaars geweest van vooral Cobra-kunst [een avant-garde beweging uit de jaren vijftig met een basis in Nederland, België en Denemarken]. Na een carrière in de kledinghandel – ze hadden twee winkels op de mondaine Van Baerlestraat en P.C.Hoofstraat – hebben ze Reflex Gallery midden jaren tachtig opgericht. Ik ben al vanaf jonge leeftijd bij de kunsthandel betrokken; ik hielp allereerst mee met het verzenden van uitnodigingen en daarna bij het inrichten van exposities. Op reis met mijn vader heb ik in mijn jeugd al grote kunstenaars mogen ontmoeten als Cristo, Jean-Michel Basquiat en Andy Warholl.

Hun werk inspireerde kennelijk zoveel dat je allereerst zélf kunstenaar wilde worden.

Ik heb een opleiding gevolgd aan de vermaarde Amsterdamse Rietveld Academie. Met de afstudeerrichting Vrije Vakken wilde ik aanvankelijk beeldhouwer worden. Maar al snel merkte ik dat ook de commercie mij trok. Ik heb uiteindelijk voor de galerie gekozen.

Door je opleiding heb je wél, meer dan andere kunsthandelaren wellicht, gevoel voor de wensen van kunstenaars.

Kunstenaars hebben vertrouwen nodig dat galeriehouders hun werk begrijpen en in een juiste context plaatsen – te midden van vergelijkbare werken. Daarbij moeten kunstenaars het gevoel hebben dat ze binnen een kunsthandel verder kunnen groeien. Het kunstenaarschap is niet alleen idealisme, er moet ook brood op de plank komen.

Kunstenaars worden steeds meer ondernemer, …

Dat zijn ze natuurlijk al. Op de kunstopleidingen echter is weinig aandacht voor commercie. Lange tijd werd onderwezen dat commercie creativiteit in de weg zit. Dat is natuurlijk grote onzin. Dat gezegd heb je natuurlijk verschillende vormen om geld te verdienen; je kan eindeloos afdrukken maken van je werk – en dat is niet goed. Maar je kan ook proberen aansluiting te krijgen bij het gevoel dat bij het publiek leeft. Kwaliteit en commercie gaan goed samen.

Hoe bepaal jij of een kunstenaar binnen het aanbod van Reflex Gallery past?

Al tijden mijn opleiding las ik veel over wat er wereldwijd in de kunstmarkt gebeurt. Ik reis heel veel en ontmoet kunstenaars van over de hele wereld. Mijn uiteindelijke keuze om een kunstenaar te vertegenwoordigen is uiteindelijk een kwestie van persoonlijke smaak. Fotografie, schilderijen en tekeningen moeten opvallen door hun authenticiteit, vakkundigheid en originaliteit. Ik zie ook dat het publiek de laatste jaren steeds meer kennis heeft vergaard over kunst. Er is aandacht voor stromingen die tot kortgeleden nog heel elitair waren.

 Hoe bedoel je dat?

Tot enkele jaren terug was de kunstwereld behoorlijk elitair, net als de kunstscholen. Als je een werk niet mooi vond, dan begreep je het niet – zo werd geoordeeld. Zo hebben we afgelopen decennia vele kunstdepots gevuld met kunstwerken waarvoor geen enkele markt bestaat. Tegenwoordig lezen vooral jonge geïnteresseerden en verzamelaars veel op het internet. Ook bezoeken steeds meer mensen galeries en kunstopeningen. De markt wordt meer vraag-gestuurd.

In die vraag kom je tegemoet. Je geeft al jaren kunstboeken uit waarin het werk van hoog aangeschreven schilders, fotografen en tekenaars gepresenteerd wordt.

Ja, ik vind dat ook echt geweldig om te doen. Niet alleen het publiek waardeert de boeken die in kleine oplage worden uitgegeven, maar ook kunstenaars werken graag mee aan de projecten. Inmiddels hebben we al bijna 10 boeken gemaakt over het leven en werk van fotograaf Daido Moriyama en zijn collega Nobuyoshi Araki, glasschilder Marcus Harvey en vele anderen. Voor de producties heb ik Wim Pijbes [de voormalige directeur van het Rijksmuseum], popster Marilyn Manson en de National Portrait Gallery in Londen bereid gekregen om mee te schrijven. Een kunstboek is een goede entree voor kunstenaars om een nieuwe markt te verkennen.

Is Amsterdam nog zo’n belangrijke kunststad?

Amsterdam is van oudsher een stad in de periferie; het is niet zo’n belangrijk centrum al New York, Miami of Dubai. Maar Amsterdam is wel een gateway naar een belangrijke regio.

Afgelopen jaren heeft de kunstscene in de stad het niet makkelijk gehad – vooral in de jaren 2012 tot 2014 hebben veel Amsterdamse handelaren een flinke dip gehad in hun omzetten. heeft ook het aanbod aan de Spiegelgracht en in de omliggende kunstbuurt bepaald; de kwaliteit is op sommige plekken gedaald. Dat gezegd, noteren de meeste van mijn collega’s alweer goede cijfers.

Hoe zit dat met Reflex Gallery. Hoe ben jij erin geslaagd om de crisis te lijf te gaan?

Hoewel wij veel bezoekers hebben – van verzamelaars die naar onze galerie toe komen om een geliefd werk aan te bekijken en aan te raken tot toevallige passanten – moet ik het niet hebben van inloop alleen. Tegenwoordig verkoop ik bijna de helft van al het werk in mijn collectie per internet. Vroeger was 10 procent van onze klanten internationaal, nu ligt dat op 60 procent.

Je biedt niet alleen het werk van de allergrootste kunstenaars aan, maar je presenteert ook jonge kunstenaars.

Ja. Ik wil een mix creëren van bekend werd en nieuwe schilderijen, foto’s en tekeningen. Dat gezegd Ik wil alleen kunstenaars in mijn groep voor wie ik écht iets kan betekenen; nieuwe markten voor gevestigde kunstenaars en groei voor opkomend talent. Toen ik begon moest ik heel hard werken om kunstenaars voor mijn galerie te interesseren, inmiddels zit ik in de comfortabele positie dat ik steeds vaker zelf benaderd wordt.

Een van de opkomende kunstenaars is Iris Schomaker. Vanaf eind februari heb je een expositie over haar werk in de galerie.

Ik organiseer zes keer per jaar een expositie. Dit voorjaar richt Reflex Galerie zich op het wek van de jonge tekenaar. Schomaker is buitengewoon getalenteerd. Haar werk is fris en getuigt van grote inspanning. Op de tekeningen – bijna mechanische figuren zonder duidelijke expressie – zie je schrappen en lijnen, zogenoemde littekens van haar grote inspanning. Die hang naar het ambacht van het kunstenaarschap past bij deze tijd. Ik heb doelbewust gekozen voor tekeningen, de markt lijkt tegenwoordig overvoerd met fotografie.

Afgelopen jaren heb je meermaals werk van fotografen geëxposeerd.

Ik ben begonnen met het confronterende werk van de beroemde Nederlandse fotograaf Erwin Olaf. En later heb ik ook exposities gehad van Harry Sulton en Nobuyoshi Araki. Het is makkelijk om de kwaliteit van deze grootmeesters naar voren te brengen in een tijd waarin overal fotografie gepresenteerd wordt; niet al het werk in de markt is even goed tegenwoordig. Ik geloof overigens dat dat ook wel weer hersteld – de ontwikkelingen in de kunstwereld gaan net als in de rest van de economie in golven.

Met grote internationale clientèle, heb je inmiddels ver over de grens naam. Denk je erover om wellicht ook elders een galerie te openen?

Als ik je over 10 jaar weer spreek, dan zou ik zomaar ook een zaak geopend kunnen hebben in New York. Die stad vind ik geweldig. Al besef ik mij dat ik me ook daar zal moeten bewijzen. Als ik in de VS begin zal ik helemaal opnieuw moeten beginnen. Maar dat doe ik graag.

Over Reflex Gallery

Reflex Gallery is een van de meest vooraanstaande kunsthandels in Amsterdam. Het centrum is gevestigd in een negentiende-eeuws pand aan de voet van de Spiegelgracht – de kunstwijk van de stad – recht tegenover de hoofdingang van het Rijksmuseum. Reflex Gallery presenteert het werk van vooraanstaande schilders, fotografen en tekenaars als Nobuyoshi Araki en Daido Moriyama. Ook geeft de galerie in beperkte oplage kunstboeken uit over het leven en werk van exposanten. Veertiger Alex Daniels nam de kunsthandel enkele jaren geleden over van zijn ouders (die de galerie vernoemden naar het bekende kunstenaarsmanifest van de Cobra-stroming in de jaren vijftig). De ondernemer spreekt met aansprekende exposities en een brede collectie kunstenaars niet alleen verzamelaars en kunstkenners aan, maar ook in toenemende mate jonge geïnteresseerden. De openingen van Reflex Gallery sierden– vooral door de beroemde gasten – meermaals in de Nederlandse kranten. Je bent dagelijks welkom bij Reflex Gallery, werk en boeken van de handel kunt u ook op het internetplatform van de handel bekijken en bestellen.

Aan de basis van verandering

Door internet-gestuurde apparatuur (internet of things), big data, cognitieve technologie. Er zijn weinig innovaties waar Nicola Villa (Nicola Villa, Partner & Global Leader Big Data & Analytics bij IBM) niet nauw bij de ontwikkeling betrokken is geweest. De Italiaan diende afgelopen twintig jaar voor het Amerikaanse tech-bedrijf Cisco, voor het door branchegenoot IBM gevraagd werd om mee te werken aan supercomputer Watson. Dat sprekende en zelfdenkende apparaat, gaat als het aan Villa ligt, komende jaren grote veranderingen in gang zetten in het bedrijfsleven.

 

Opgeleid in Business Economics aan de Universiteit van Milaan en Brighton University, wist Nicola Villa al op jonge leeftijd dat zijn toekomst in technologische innovatie zou liggen. De Italiaan schreef nota bene zijn scriptie begin jaren negentig over hoe standaardisatie van industriele processen het internet zouden beinvloeden. Villa werkte 20 jaar voor het Amerikaanse bedrijf Cisco alwaar hij zich specialiseerde in Internet of Things en Big Data.

De ondernemende techneut schreef vele stukken over disruptieve ontwikkeling van het bedrijfsleven, van welke enkele gepubliceerd werden in kranten als het Britse Financial Times. Begin dit jaar werd Villa aangetrokken door IBM om te ondersteunen in de commerciele ontwikkeling van supercomputer Watson. Villa is getrouwd geweest en heeft twee kinderen.    

 

U staat wereldwijd te boek als een van de voorlopers op het gebied van innovatieve technologie. Hoe is IBM er in geslaagd om u te strikken voor een aanstelling in Amsterdam?

Vergis u niet, IBM een van de meest innovatieve bedrijven ter wereld. Het heeft zich in de honderd jaar sinds de oprichting steeds opnieuw weten uit te vinden. Ik heb gekozen om voor IBM te werken omdat ik graag een bijdrage wil leveren aan ontwikkeling van cognitieke technologie. Hier in Amsterdam is een van IBM’s centra gevestigd waar gewerkt wordt aan supercomputer Watson.

 

Watson is nog maar net af. Hij moet zich komende jaren nog bewijzen.

Ik ben er van overtuigd dat het Watson-project een van de belangrijkste innovaties is van dit moment. Afgelopen jaren heeft IBM bijna een derde van zijn omzet gerealiseerd met de ontwikkeling van technologie die nodig is voor cloud-diensten, datasecurity, sociale media en mobiele devices. Watson bouwt hier op voort. Het biedt bedrijven en ondernemers binnen enkele jaren eindeloos veel mogelijkheden om data te analyseren en te verwerken.

Wat maakt de robot zo uniek?

Watson is een platform, de robot zoals je die voorbij ziet komen in de media is alleen de buitenkant – het apparaat dat gebruikt wordt om toegang te krijgen tot de innovatieve technologie. Watson is in staat is om op een menselijke manier te communiceren met gebruikers. Het heeft kennis van taal en snapt de specifieke toon in gesproken tekst.

 

Is IBM er eindelijk in geslaagd om kunstmatige intelligentie te creeeren?

Het gaat verder zelfs verder dan dat. Anders dan andere computers maakt Watson niet gebruik van voorgeprogrammeerde gegevens, maar verzamelt het kennis van zijn gebruikers. Watson is in staat om verschillende punten ‘af te wegen’ voor het antwoordt.

 

Hoe heeft IBM dat voor elkaar gekregen?

Cognitieve technologie is mogelijk geworden door dat chips in staat zijn steeds ingewikkeldere berekeningen te maken. Dat Watson juist bij IBM is uitgevonden, komt door de open cultuur in het bedrijf – daar ben ik van overtuigd: IBM biedt ruimte aan nieuwe ideeen en maakt miljarden vrij om die om te zetten in innovatieve producten. Die open houding is overigens niet alleen naar het eigen personeel…

 

…Iedereen kan binnenlopen om mee te doen in de ontwikkeling van het meest geavanceerde technologische project ter wereld?

In Amsterdam en op andere plaatsen stellen wij ons Lunix-systeem, een groot cloud-based platform beschikbaar aan technici die applicaties willen ontwikkelen voor Watson.

 

Haalt u daarmee niet uw concurrentie in huis?

Nee. Wij orchestreren hiermee de ontwikkelingen op het gebied van cognitieve-technologie. Het is in innovatie verstandig om samen te werken in plaats van elkaar in een vroeg stadium te bevechten. Hoe meer mensen met het platform bezig zijn, des te groter wordt het potentieel op de markt. De open houding in ontwikkeling van nieuwe technologie past in de strategie zoals die jaren geleden door IBM is gedefinieerd.

 

Langetermijnstrategie? Daar is toch geen plaats meer voor in een disruptieve, snel ontwikkelende markt?

Om je flexibel aan te kunnen passen en adequaat op behoeften te reageren, heb je wel kennis nodig van de markt en mogelijke klanten. Daarvoor moet je bepalen welke technologische gebieden zich komende jaren gaan ontwikkelen. IBM staat als het ware boven de markt, omdat het veranderingen grotendeels faciliteert met innovatieve techniek.

Niet alle bedrijven slagen er in om die technische vernieuwing goed of snel genoeg te implementeren.

Anno 2016 sturen klanten ondernemers aan en niet andersom. Bedrijven worden door gebruik van technologische innovaties steeds meer een dienstverlener: ze verkopen niet alleen producten, maar ondersteunen ook in het gebruik. Door analyse van klantgegevens kunnen bedrijven beter inspelen op vragen en ze creeeren daarmee uiteindelijk stickyness; een afhankelijkheid van klanten.

 

Die Uberfication van het bedrijfsleven kost mogelijk behoorlijk wat ondernemers de kop.

Aanpassen aan vernieuwingen in de markt is van alle tijd. Als je de Fortune 500 [red., de ranglijst met grootste bedrijven ter wereld van het Amerikaanse tijdschrift Fortune] van 20 jaar geleden er op naslaat herken je ook de helft van de bedrijven niet meer. Een groot deel van de genoteerden is overgenomen, van functie en naam veranderd of simpelweg opgehouden te bestaan. Dat gezegd is het niet onmogelijk, en zeker ook geen kwestie van geld, om je als bedrijf aan te passen. Watson is als tool voor data-analyse binnen enkele jaren niet alleen beschikbaar voor multinationals maar juist ook voor MKB-bedrijven die een omschakeling van hun businessmodel nastreven.

 

U stelt dat klanten bedrijven veranderen. Uiteindelijk zijn het managers die aan de knoppen zitten; die moeten toch inzetten op een cultuurverandering?

Ik zie, naast enkele conservatieve bestuurders, ook steeds meer innovatieve leiders bij traditionele ondernemingen. Om te veranderen is het belangrijk om je klanten op te zoeken. En om met hen in gesprek te gaan. Dat doe ik zelf niet anders.

 

Sommige markten zijn zo conservatief, die veranderen nooit. Of in ieder geval niet zo snel als door experts op het gebied van disruptie beschreven wordt.

Ik ben daar een van. Ik geloof dat je als bedrijf moet onwrichten – disruptief moet zijn – of wordt ontwricht. Meer keuzes zijn er niet. Volgens de Wet van Moore [red., naar Gordon Moore, de oprichter van chipfabrikant Intel] verdubbelt het aantal transistors in een geintegreerde schakeling iedere twee jaar. Anders gezegd, wordt het door snelle ontwikkeling van technologie iedere twee jaar mogelijk om twee keer zo snel berekeningen uit te voeren. Daarmee neemt ook het aantal mogelijke toepassingen explosief toe. De snelheid waarmee specifieke markten veranderen, hangt af van de beschikbare technologie in die sectoren en de verwachtingen van klanten. Als bestuurders niet willen veranderen, doet de concurrentie het wel.

 

Ook de overheid heeft afgelopen jaren innovatie ontdekt. Het werkt op veel gebieden samen met bedrijven en kennisinstellingen om ontwikkelingen te faciliteren.

Dat klopt. De High Tech Campus in Eindhoven is daar een goed voorbeeld van. Bij de bedrijven die daar samenwerken worden belangrijke innovaties gedaan. Die sterken uiteindelijk de economie.

 

Vanuit de politiek is ook weerstand. De innovatieve vervoersdienst Uber stuit in heel Europa op belemmeringen in het uitrollen van zijn dienstverlening. Politici hopen hiermee de geplaagde taxiwereld tegen de nieuwkomer te beschermen.

Op de lange termijn houd je innovatie niet tegen. Ik denk dat rechtszaken die nu tegen Uber gevoerd worden vooral veroorzaakt worden doordat nog niet alle wetgeving is aangepast op de komst van innovatieve bedrijven.

 

De politiek vreest voor massale werkloosheid als hightechbedrijven in korte tijd de markt veranderen. En dat geldt niet alleen voor de taxibranche.

Waar het ene bedrijf verdwijnt, ontstaat ruimte voor een ander die wel in staat is om zich in de markt staande te houden. Dat is een economisch feit. Ik geloof niet dat disruptie voor extra werkloosheid zal zorgen. Net als het bedrijfsleven verandert ook de arbeidsmarkt door technologische ontwikkelingen. Moderne werknemers gaan zich specialiseren en hebben behoefte aan een innovatieve werkomgeving.

 

U bedoelt ‘een open cultuur’ zoals u eerder beschreef?

Precies! Ik ontmoet steeds meer gespecialiseerde technologen die zich niet thuis voelen bij big corporates. Werknemers in de 21e eeuw vragen om een flexibele werkomgeving. En een rol in innovatie. Ze willen de wereld helpen veranderen en een rol waarin ze actief bijdragen aan innovatie. Veel andere bedrijven hebben net als IBM een ecosysteem ontworpen waarin dat mogelijk is.

Energie voor verandering

Klimaatverandering en beperkte voorraden van fossiele brandstoffen dwingen bedrijven in de energiesector tot ingrijpende veranderingen. “Komende decennia moeten we in Nederland niet alleen minder energie gaan gebruiken, opwekking moet ook vooral op duurzame manier plaatsvinden”, meent Ed Nijpels, voorzitter van het Energieakkoord, het nationale samenwerkingsorgaan dat toeziet op naleving van internationale klimaatafspraken. “Traditionele energieleveranciers worden dienstverleners. Daarbij ontstaat veel ruimte voor ondernemers in de cleantech-industrie. Voor achterblijvers is in de nieuwe realiteit geen plaats”, aldus Nijpels.

 

Ed Nijpels is voorzitter van de borgingscommissie van het Energieakkoord; een samenwerking van 47 partijen in Nederland om de uitstoot van CO2 door burgers en bedrijven te verminderen en duurzame opwekking te bevorderen. In het tweede kabinet Lubbers eind jaren tachtig was Nijpels vier jaar lang VVD-minister op het departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordering en Milieu (VROM); in die hoedanigheid deed de politicus veel ervaring op over energie en klimaatverandering. Daarnaast legde Nijpels contacten tussen een groot aantal partijen binnen het vakgebied. Na een aanstelling als bestuursvoorzitter van pensioenfonds ABP (2009-2010), werd de liberaal in 2014 benoemd tot kroonlid van de Sociaal Economische Raad en voorzitter van het Energieakkoord. Die aanstelling loopt eind maart 2016 af.

 

Het Energieakkoord heeft hoge eisen gesteld aan politiek, burgers en bedrijven.

We zetten in op een besparing van het energieverbruik van gemiddeld 1,5 procent per jaar – een daling met zo’n 100 petajoule in 2020. Daarnaast moet het aandeel van duurzaam opgewekte energie toenemen tot 14 procent in 2020 en 16 procent drie jaar later. Daarvoor is een massieve aanpak noodzakelijk.

 

Anders dan in andere disruptieve ontwikkelingen ligt het initiatief voor verandering niet bij de consument.

Er is een groeiende behoefte aan duurzame energieoplossingen. Maar ik zie tegelijkertijd dat de achtergrond van die noodzakelijke verandering, namelijk klimaatverandering, nauwelijks in de hoofden van de mensen leeft. De problemen veroorzaakt door CO2-uitstoot zijn onzichtbaar en niet voelbaar. In ieder geval tot grote incidenten zich voordoen. Bewustzijn van de ernst van de zaak moet voortdurend top-down worden bijgebracht.

Die druk om te veranderen lijkt vooral uit de politiek te komen.

Het Energieakkoord is een samenwerking die bedoeld is om internationale afspraken in Nederland op een gecoördineerde manier na te leven. Overeenkomsten zoals eind vorig jaar in Parijs zijn gesloten, zijn juridisch bindend; daar komen we niet onderuit. Ik zit niet alleen met het kabinet aan tafel, maar ook met werkgevers- en werknemersorganisaties, bedrijven in de energiesector, woningbouworganisaties en een groot aantal belangenpartijen. Voor oprichting in 2014 is bijna driekwart jaar flink onderhandeld.

 

Dat is een behoorlijke aanloop. Is het zo ingewikkeld om overeenstemming tussen alle betrokken partijen te krijgen?

Mijn 47 gesprekspartners, die vele duizenden bedrijven en organisaties vertegenwoordigen, verschillen vanzelfsprekend op veel vlakken. Maar het is eenieder duidelijk dat het energiegebruik moet veranderen. Dat de rommelige en inconsistente aanpak van een aantal jaar geleden, geen standhoudt. In de praktijk blijken de meeste problemen in naleving van het energieakkoord veroorzaakt te worden door belemmerende afspraken en regelgeving, niet zozeer in de onwil van politiek, burgers en bedrijven. De sluiting van vijf kolencentrales in 2015 bijvoorbeeld werd onmogelijk gemaakt door eerdere overeenkomsten tussen de overheid en bedrijven. Ik zet in op een snelle aanpak om dit toch mogelijk te maken.

Overigens zijn er ook veel positieve verassingen: de reductie van de prijs voor de aanleg van windmolens gaat veel sneller dan verwacht. Eerder planden we een korting van 40 procent, de meeste turbines worden nu aangelegd voor ruim 47 procent minder.

 

Bedrijven zullen miljarden moeten investeren en ingrijpende reorganisaties moeten doorvoeren om een energietransitie mogelijk te maken.

Absoluut. Het Energieakkoord is een verregaande overeenkomst met grote gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Ik zie dat sommige multinationals met buitenlandse eigenaren moeite hebben om die investeringen in ons land te maken. De meeste grote bedrijven blijken zich echter goed bewust van de noodzakelijke verandering; die hebben jaren eerder al ingezet om een stingent klimaatbeleid nog voor de politiek met harde eisen kwam.

 

Nederland en Europa kunnen dan wel vooraan lopen qua verandering. Bent u er zo zeker van dat ook de VS en China – wereldwijd de grootste energieverbruikers – zich aan internationale afspraken zullen houden? Anders gezegd, brengen we onze nationale bedrijven niet om zeep door harder dan anderen in te zetten op strenge energie-normen.

China en de VS hebben voor het tekenen van het Klimaatakkoord eind 2015, als grootste economieën ter wereld samen een overeenkomst gesloten om minder CO2 uit te stoten.

China beseft zich heel goed dat het iets moet doen aan de enorme vervuiling en de grote energiebehoefte: het land is nu al de grootste investeerder in zonnen- en windenergie. De centrale overheid in het land toont zich standvastig in zijn aanpak. De Amerikaanse president Barack Obama wil ook graag doorpakken. Al wordt zijn beleid nog vaak getorpedeerd door conservatieve krachten in de senaat.

 

Wat nou als bedrijven niet in staat blijken die kosten te dragen?

Ze móeten wel. Voor achterblijvers is in de nieuwe realiteit geen plaats. Voor MKB-bedrijven met onvoldoende middelen is overigens 2 miljard beschikbaar van het Nationale Investeringsinstelling (NII) om energieverbruik terug te dringen. Die investering van die organisatie van pensioenfondsen, banken en verzekeraars wordt terugverdiend met een flinke kostenbesparing op de energierekening van bedrijven.

 

Voor bedrijven is het aanpassen of omvallen.

Dat is een economische realiteit en niet anders dan afgelopen jaren. Wat opvalt is dat de veranderingen tegenwoordig een stuk sneller gaan. De levensduur van de 500 grootste bedrijven, zoals in kaart gebracht door Standard & Poor, ligt nu op 18 jaar. Honderd jaar terug was die verwachting nog bijna 90 jaar. Dat wil overigens niet zeggen dat bedrijven massaal omvallen, ze veranderen alleen, of worden samengevoegd of opgekocht. Neem bijvoorbeeld Philips; dat bedrijf is in een decennium van een traditionele elektronicaproducent getransformeerd in een van de koplopers van de medische tech-industrie.

 

Hoe ziet u die verandering voor bedrijven in de energiesector?  

De energiemarkt gaat er op korte termijn totaal anders uit zien. Allereerst wordt het gebruik van fossiele brandstoffen volledig teruggebracht. Over krap 35 jaar moet ons land volledig CO2-neutraal zijn. De grootste energieproducten in Europa RWE en Vattenfall hebben voor deze transitie miljarden afgeschreven. Wereldwijd zijn de kosten die gemoeid zijn met de verandering nog vele malen hoger; als we ons aan internationale afspraken houden is 35 procent van de oliereserves, 50 procent van de gasvoorraden en 90 procent van de steenkool niet meer te gelden te maken.

 

Er wordt niet alleen afgeschreven, er moet ook worden geïnvesteerd in duurzame energiebronnen.

En dat gebeurt ook op grote schaal. Energiebedrijven en andere organisaties zijn hard bezig om in 2023 bijna acht miljoen huishoudens te voorzien van elektriciteit die gewonnen is door windmolens. Opvallend is ook dat steeds meer consumenten zélf energie op gaan wekken met zonnepanelen. Door die ontwikkeling worden energiebedrijven dienstverlener in plaats van leverancier.

Hoe ziet u die rol van energiebedrijven.

Er zijn nog grote uitdagingen op het gebied van opslag en distributie van energie en systeemcommunicatie. Energiebedrijven, maar ook andere partijen, besteden nu al veel onderzoek aan het oplossen van dat soort vraagstukken. Tesla en BMW bijvoorbeeld hebben onlangs een accu gelanceerd waarmee consumenten energie kunnen opslaan wanneer er op het net onvoldoende vraag is. In deze ontwikkeling is naast bestaande bedrijven veel ruimte voor nieuwe ondernemers, zogenoemde cleantech-bedrijven. De koppeling van ICT en energie is hierin leidend. Het Energieakkoord zet in op 15.000 nieuwe banen bij vooral dit soort start ups die een derde industriële revolutie mogelijk maken.

 

Creatieve oplossingen hebben de toekomst

Absoluut. En onze Nederlandse verwachtingen zijn hoog. In 2020 moet de omzet van de cleantech-sector zijn verviervoudigd. Daarmee moeten we tien jaar later tot de mondiale top behoren. Ik ga in de verandering van de energiemarkt uit van het positieve en geloof dat we ook in staat blijken te zijn om steeds grotere aanpassingen te maken. Het Energieakkoord strekt tot 2023, en is maar de opmaat voor veel grotere veranderingen die tot 2050 noodzakelijk zijn.

 

Van Parijs naar energieparadijs

Tijdens de klimaatconferentie van Parijs (of officieel de ‘2015 United Nations Climate Change Conference’) werd in december 2015 besloten tot een flinke reductie van de CO2-uitstoot in de wereld om zo klimaatverandering (en in het bijzonder de opwarming van de aarde) tegen te houden. Het overleg dat van 30 november tot 12 december plaats had leidde tot het Akkoord van Parijs dat dit jaar in New York door alle 195 betrokken landen zal worden ondertekend.

Als onderdeel van de afspraken is besloten dat de gemiddelde temperatuur op aarde niet meer dan 2 graden mag stijgen, de uitstoot van broeikasgassen verminderd moet worden en gevolgen van klimaatverandering gezamenlijk worden aangepakt. Om het akkoord door alle betrokken uitvoerbaar te maken zullen de rijkste ondertekenaars tot 2025 jaarlijks meer dan 90 miljard euro ter beschikking stellen.

Nederland en Europa kunnen dan wel vooraan lopen qua verandering. Bent u er zo zeker van dat ook de VS en China – wereldwijd de grootste energieverbruikers – zich aan internationale afspraken zullen houden? Anders gezegd, brengen we onze nationale bedrijven niet om zeep door harder dan anderen in te zetten op strenge energie-normen.

China en de VS hebben voor het tekenen van het Klimaatakkoord eind 2015, als grootste economieën ter wereld samen een overeenkomst gesloten om minder CO2 uit te stoten.

China beseft zich heel goed dat het iets moet doen aan de enorme vervuiling en de grote energiebehoefte: het land is nu al de grootste investeerder in zonnen- en windenergie. De centrale overheid in het land toont zich standvastig in zijn aanpak. De Amerikaanse president Barack Obama wil ook graag doorpakken. Al wordt zijn beleid nog vaak getorpedeerd door conservatieve krachten in de senaat.

 

 

“In de markt is alleen plaats voor de beste en grootste speler”

“Er wordt nog te veel gedacht dat disruptieve ontwikkelingen tijdelijk zijn. Dat het bedrijfsleven na een periode van transformatie weer tot rust komt. Niets is minder waar: het is een continu proces”. NXP-voorman Maurice Geraets gelooft dat bedrijven zich met gebruik van nieuwe technologische mogelijkheden moeten concentreren op één of meerdere kerngebieden. “Wij ondernemen als bedrijf alleen activiteiten als we marktleider kunnen zijn.”

Vanuit zijn kantoor heeft directeur van NXP Nederland Maurice Geraets een goed uitzicht over de Hightech Campus; een industriegebied onder de rook van Eindhoven, dat door intensieve samenwerking tussen bedrijven, wetenschappelijke instellingen en de overheid ontstaan is. Doel van alle betrokken partijen: het bevorderen van innovatie en het aantrekken van vooruitstrevende start ups en bedrijven om een hoofdrol op technologisch vlak te kunnen blijven spelen. Om zo ook de werkgelegenheid in de gemeente op pijl te houden: jaren geleden dreigde een flink banenverlies door het sluiten van enkele van Philips’ productiefaciliteiten in de regio. Die missie lijkt voorlopig geslaagd: de meeste bedrijven op de Hightech Campus behoren inmiddels tot de innovatieve top van Nederland; de ondernemingen trekken niet alleen veel hooggekwalificeerde werknemers uit de omgeving van Eindhoven, maar vooral ook kenniswerkers uit India, China en Japan.

Nieuwe mogelijkheden

De snelle ontwikkeling van chips staat centraal in de grote veranderingen van het Nederlandse bedrijfsleven, meent Geraets. “Iedere achttien maanden verdubbelt het opslagvermogen. Daarmee wordt het niet alleen mogelijk om steeds complexere berekeningen uit te voeren. De prijs van hoogwaardige chips wordt ook steeds goedkoper”, verklaart de NXP-voorman. “Disruptieve veranderingen worden ingezet doordat we nu toepassingen kunnen maken die eerder niet mogelijk waren. De ontwikkeling van de zelfrijdende auto bijvoorbeeld komt doordat we relatief goedkoop meerdere hoogwaardige camera’s in de auto kunnen plaatsen die onderling communiceren. Daarvoor zijn hoogwaardige chips nodig.”

Koppositie

Om als bedrijf mee te komen in de verandering is het volgens de tech-topman noodzakelijk om je op een of meerdere kerngebieden te concentreren. “NXP heeft die keuze enkele jaren geleden gemaakt. Daarvoor zijn, veelal goedlopende, onderdelen waarin het bedrijf niet een nummer 1 of 2 positie bekleedde afgestoten, zoals divisies op het gebied van televisie- en mobiele chip-technologie. Wij ondernemen nu alleen activiteiten als we marktleider kunnen zijn of worden.” Die koppositie gaat het volgens Geraets niet alleen over de kwaliteit van de producten, maar ook om de grootte van het bedrijf, of liever gezegd de grootte van het investeringsbudget. “Als je meer geld hebt dan je concurrentie kan je beter onderzoek doen en sneller ontwikkelen.

Tegen het licht

Volgens Geraets vraagt strategische aanpassing niet alleen om hoge investeringen. Het vereist ook moed om veranderingen in een organisatie op gang te zetten. “Bestuurders dienen hun volledige business-model tegen het licht houden. Ze moeten durven inzien dat sommige producten geen toekomst meer hebben, of in ieder geval onvoldoende groeimogelijkheden laten zien door afnemende klantbehoefte.”

Maatschappelijke schade

Dat gezegd is Geraets niet ongerust over de gevolgen van disruptie voor Nederland. “Het verlies aan banen bij traditionele bedrijven wordt gecompenseerd door toenemende werkgelegenheid in innovatieve sectoren.” Volgens de topman lopen veranderingen in het bedrijfsleven gelijk aan een transformatie van de arbeidsmarkt. Geraerts: “Werknemers beseffen zich goed dat ze niet voor langere tijd bij één baas werken, maar dat ze zich moeten specialiseren om kortstondig voor specifieke functies bij bedrijven aan de slag te gaan.”

De NXP-topman maakt zich ook geen zorgen over het feit dat met de opkomst van disruptieve bedrijven uit vooral de VS en Azië mogelijk veel kapitaal uit Nederland wegvloeit: “In alle ontwikkelingen zijn veel Nederlandse bedrijven betrokken. Meestal als innovatieve partner of leverancier. Om die positie te behouden moeten we wél heel scherp blijven.”