De vijf opkomende, duurzame bedrijven van Nederland

De afgelopen jaren lijken de social entrepreneurs als paddestoelen uit de grond te schieten. Voor deze ondernemers is winst maken niet meer het heilige der heiligen. Natuurlijk, commercieel gedreven zijn ze nog steeds, maar het gaat anno 2017 om méér dan alleen zoveel mogelijk geld verdienen. Ze willen ook iets goeds doen voor planeet en maatschappij. Hun imago heeft iets zweverigs en krijgt best wat kritiek te verduren. Ze worden vaak gezien als subsidieslurpers, of worden ervan beschuldigd met de sticker ‘duurzaamheid’ goedkope marketing te bedrijven. ‘Gewone’ bedrijven zouden ook genoeg rekening houden met het milieu.

Tekst: Stefan Vermeulen

Toch zijn ze niet meer uit het straatbeeld weg te denken: de duurzame bedrijven die niet volledig op subsidies draaien, maar wel een serieuze verandering teweegbrengen binnen hun sector. We verzamelden de vijf meest succesvolle voorbeelden van Nederland. Als we naar deze lijst kijken, vallen een paar dingen meteen op. Bloeiende duurzame bedrijven worden veelal opgericht door ondernemers die eerst rondliepen in een bestaande sector, maar besloten dat het beter kon. Duurzamer. Vrijwel allemaal hebben deze bedrijven een charismatisch uithangbord, een ondernemer die wel raad weet met TEDx-praatjes. Ze draaien met hun bedrijf een miljoenenomzet, doordat ze een product op de markt brengen waar echt behoefte aan is. En tot slot: ze worden inmiddels door de gevestigde concurrentie in hun sector gekopieerd, óf keihard bestreden. Een beter bewijs dat ze met hun bedrijf de wereld een beetje beter maken, is er niet. Of wel?

 

1. Marqt

We beginnen met de bekendste duurzame supermarkt van Nederland. Zoals bij veel sociale ondernemingen is het idee achter Marqt zó logisch dat je je afvraagt waarom het niet gewoon de standaard kan zijn: eten zonder troep verkopen en daarvoor een faire inkoopprijs betalen aan – veelal lokale – leveranciers. Marqt krijgt wel eens de kritiek dat het vooral een supermarkt is voor quinoakauwende Amsterdamse hipsters, een winkel met veel te hoge prijzen bovendien. De vraag is of dat terecht is. Als voormalig managers bij Ahold wisten oprichters Quirijn Bolle en Meike Beeren in 2008 wat ze wilden: mensen bij hun dagelijkse boodschappen een ‘eerlijk’ alternatief bieden voor Albert Heijn, Jumbo of C1000. De gevestigde supermarkten kunnen namelijk maar op één manier zo goedkoop zijn: ze betalen boeren en telers minimale prijzen, besteden beperkt aandacht aan het milieu en gebruiken veel conserveermiddelen. Bij Marqt is daarentegen van elke tomaat, zalmfilet, chocoladereep en pindakaaspot te achterhalen waar ze vandaan komen en wat er allemaal inzit.

En dat concept blijkt te werken: negen jaar na de oprichting beschikt Marqt over 15 winkels – in Amsterdam, Haarlem, Rotterdam en Den Haag – en ligt de jaarlijkse omzet ruim boven de 60 miljoen euro. Volgens Bolle, die nog altijd als uithangbord en spreekbuis van Marqt fungeert, kan het bedrijf de komende jaren doorgroeien naar 60 winkels in Nederland. ‘Ik zie Marqt als een olievlek’, zei hij onlangs tegen NRC Handelsblad. Toch moesten de oprichters de afgelopen jaren wel bewust een pas op de plaats maken: door de snelle groei waren de kosten steeds zo hoog dat Marqt pas dit jaar voor het eerst winst zal noteren.

Dit voorjaar stapten twee nieuwe aandeelhouders in: het Triodos Organic Growth Fund en Social Impact Ventures. Zij kregen een onbekend aantal aandelen en verschaften Marqt nog eens 1,2 miljoen euro groeikapitaal. Daarmee kan Marqt verder de strijd aan met eveneens goed draaiende duurzame ketens als Ekoplaza en de Natuurwinkel. Dat ook Albert Heijn en Jumbo bij steeds meer producten een duurzame en transparante indruk wekken, vindt Bolle van Marqt afgekeken, en bovendien pure misleiding. “Dat is allemaal gekopieerd”, zei hij in NRC. “Het is veel makebelieve. Dat is de armoede van de industrie, iedereen kopieert elkaar.”

 

2. Tony’s Chocolonely

Toen tv-maker Teun van de Keuken als presentator van ‘Keuringsdienst van Waarde’ in 2005 zijn chocolademerk Tony’s Chocolonely introduceerde, was dat meteen een serieuze zaak. Zijn repen waren bedoeld als tegenhanger van de bekende chocolademerken, die zich bij de productie in West-Afrika massaal schuldig maakten aan slavernij. De werknemers, vaak kinderen, doen er gedwongen en soms levensgevaarlijk werk. Tony’s Chocolonely beloofde ‘100 procent slaafvrije chocolade’. Die claim bleek al snel lastig waar te maken, maar de repen werden onverwacht een doorslaand commercieel succes. Tony’s Chocolonely groeit pas echt hard sinds voormalig Heinekenmanager Henk Jan Beltman in september 2011 de meerderheid van de aandelen kocht. Afgelopen jaar noteerde het bedrijf een omzet van bijna 30 miljoen euro. Er gingen 20 miljoen chocoladerepen over de toonbank: de felgekleurde repen met smaken als ‘karamel zeezout’ en ‘popcorn discodip’ vonden hun weg naar klanten in Nederland, Zweden, België en de VS.

Grootaandeelhouder Beltman heeft nog steeds het doel om met de eerlijke productie van chocoladerepen bij te dragen aan het uitbannen van slavenarbeid in de cacao-industrie. ‘We willen de rest van de sector precies laten zien wat we doen’, zei hij laatst in een interview in het AD. ‘We willen laten zien dat de achtduizend boeren met wie wij werken, het beter doen dan de rest. Alleen dan kunnen we impact hebben op de rest. Ons model is schaalbaar. We kunnen de hele sector veranderen.’ De topman – die zichzelf overigens liever Chief Chocolate Officer laat noemen – wordt erom gelauwerd. In 2015 werd hij EY Emerging Entrepreneur of the Year, vorig jaar werd Beltman uitgeroepen tot Marketeer van het Jaar en stond Tony’s Chocolonely bovenaan de Inspirerende 40, met daarin bedrijven die een voorbeeld zijn voor anderen.

Er is alleen één minpunt: het hardnekkige probleem van slavernij in de cacao-industrie is nog lang niet opgelost. Integendeel zelfs: volgens onderzoekers van een Amerikaanse universiteit is het aantal gedwongen tewerkgestelde kinderen in Ghana en Ivoorkust de afgelopen jaren alleen maar gestegen. Van de Keuken concludeerde daarom een tijdje geleden gedesillusioneerd dat zijn repen geen enkel verschil hebben gemaakt en dat hij de tent beter kan sluiten. Maar, zoals een van zijn medeoprichters daarop zei: ‘Een druppel op een gloeiende plaat is nog steeds een druppel.’

 

3. Vandebron

Het is niet zo moeilijk om sceptisch te zijn over de duurzame ambities van groene energieleverancier Vandebron. Oprichters Aart van Veller, Remco Wilcke en Matthijs Guichelaar zijn snelle jongens met vlotte teksten, ze zien eruit alsof ze uit een boyband komen en houden met hun startup een kantoor over drie verdiepingen aan de Herengracht in Amsterdam. Maar vergis je niet: de oprichters timmeren met het duurzame Vandebron serieus aan de weg. Ze opereren op een slimme en integere manier, en dat in een markt waar claims over ‘groene energie’ maar al te vaak op drijfzand berusten.

Vandebron pakt het anders aan dan andere energieleveranciers: het geld dat klanten voor hun groene stroom betalen, komt rechtstreeks terecht bij de leveranciers die het aanleveren, zoals lokale windondernemers. Wie klant wordt, kan op de website zien – én kiezen – welke groene leveranciers met het abonnementsgeld betaald worden. Vandebron is op deze manier een fractie goedkoper dan gevestigde namen als Nuon en Eneco: er hoeft in hun onderneming geen winst gemaakt te worden voor de aandeelhouders. Bovendien zijn klanten ervan verzekerd dat de stroom die ze gebruiken echt groen is.

Vier jaar na de oprichting heeft Vandebron al meer dan 100.000 klanten aan zich weten te binden, er lopen honderd werknemers rond en de jaaromzet ligt boven de 80 miljoen euro. Eventuele winst steken de oprichters terug in het bedrijf, vertelde Guichelaar onlangs aan Business Insider: “We zijn een groeiend bedrijf, dus alles wat we overhouden, wordt in het bedrijf geïnvesteerd.” Dat de oprichters snelle jongens zijn, komt ook van pas, want de marketing van Vandebron is slim. In hippe buurten van Amsterdam waren de straatverkopers van Vandebronabonnementen lange tijd niet voor de ingang van de Albert Heijn weg te slaan. En dit voorjaar deed het bedrijf een ludiek bod van 1 miljoen euro op de Hemwegkolencentrale in Amsterdam, naar eigen zeggen om de centrale na overname meteen te sluiten. Marketingstuntje natuurlijk. Maar het werkt wel.

 

4. De vegetarische slager

Dat je als duurzaam alternatief voor een bestaande markt een bedreiging gaat vormen, blijkt vaak als de gevestigde orde begint te protesteren. Voor De Vegetarische Slager, het bedrijf van ondernemer Jaap Korteweg, was het begin dit jaar zover. Worstenbroodjes zonder échte worst erin, kipstukjes op plantaardige basis: volgens de vleeslobby leidden de namen van vleesvervangers tot verwarring bij de consument. De VVD stelde Kamervragen. ‘Als je iets koopt, moet duidelijk zijn wat het is,’ vond Kamerlid Erik Ziengs.

Het echte verhaal was natuurlijk dat de groeiende vraag naar vegetarische alternatieven voor vlees het belang van de bestaande vleesboeren schaadt. En het overbodig maken van de bio-industrie was ook precies het idee waarmee Korteweg met enkele compagnons een paar jaar geleden aan de slag ging. Als lid van de negende generatie uit een geslacht van Brabantse boeren wist Korteweg maar al te goed waar het vlees op zijn bord vandaan kwam, en de productie vond hij dieronvriendelijk en inefficiënt. Ook niet onbelangrijk: zijn partner is Marianne Thieme, fractievoorzitter van de Partij voor de Dieren. Na drie jaar experimenteren bracht hij daarom in 2010 de eerste vleesvervangers op de markt, gebaseerd op soja, maar dan met de smaak, textuur én de benaming van echt vlees.

‘Het idee om juíst de associatie met vlees op te zoeken pakte goed uit,’ vertelt Korteweg daar later over. ‘Daarom was De Vegetarische Slager vernieuwend en waren de mensen nieuwsgierig. Vrij snel na de opening kwam de vraag van groothandels, leveranciers en speciaalzaken of ze onze producten konden verkopen. De aversie tegen de vleesindustrie was groter dan ik had gedacht.’ Na de eerste winkel in Den Haag volgden al snel meer verkooppunten. Inmiddels zijn de producten van De Vegetarische Slager te krijgen op 2600 plekken in 15 landen, en liggen de ‘gerookte speckjes’ en ‘rauw gehackt’ ook bij Jumbo en Albert Heijn. De omzet loopt richting de 10 miljoen euro en Korteweg denkt de komende jaren hard verder te groeien. Wat daarbij helpt is dat De Vegetarische Slager eerder dit jaar een compleet nieuwe eigen fabriek opende, bij Breda. Ter financiering daarvan gaf het bedrijf obligaties uit, waarop beleggers enthousiast intekenden: de 2,5 miljoen euro die Korteweg nodig had, was in no-time binnen.

 

5. Dopper

Merijn Everaarts begon een jaar of zeven geleden zijn bedrijf Dopper om onnodig gebruik van water uit plastic flesjes terugdringen. In Nederland – en veel andere Westerse landen – is er helemaal niets mis met het drinken van kraanwater. Toch betalen mensen op het station lachend anderhalve euro voor een half litertje Spa in plastic flesje. Het lijkt er, in de woorden van Everaarts, wel eens op dat iedereen tegenwoordig uitdroogt in de trein tussen Haarlem en Amsterdam. Fijn voor de frisdrankfabrikanten, maar de gevolgen voor het milieu zijn dramatisch.

En dus ontwikkelde hij ‘Dopper’: een duurzame fles met een hip design, die in de vaatwasser kan en die je – gevuld met kraanwater – prima kunt gebruiken in de trein tussen Haarlem en Amsterdam. Of op school, of op kantoor. De flessen worden geproduceerd door het Brabantse VDL. De vraag naar het product bleek groot: Everaarts verkocht de flesjes al snel bij honderdduizenden. Afgelopen jaar gingen er 1,8 miljoen Doppers over de toonbank, in 25 landen. Die internationale uitbreiding is overigens een must, want Nederland raakt zo langzamerhand verzadigd met Dopperflesjes. Dat is het nadeel als je maar één product maakt dat bedoeld is om heel lang mee te doen. Everaarts en zijn bijna dertig werknemers richten zich momenteel met name op uitbreiding in Duitsland en de Verenigde Staten, ‘een heel grote markt en een heel grote vervuiler’, aldus de oprichter.

De omzet van Dopper bedroeg in 2016 ruim 9,3 miljoen euro. Daarvan gaat vijf procent standaard naar het goede doel: zo investeert Dopper bijvoorbeeld flink in een drinkwaterproject in Nepal. De winst wordt voornamelijk gebruikt voor de internationale uitbreidingen en wat overblijft is voor Everaarts, de enige aandeelhouder. Hij kan er prima van leven, al is het geld volgens hem niet het belangrijkste. Tegen NRC zei hij: ‘Ik heb me de eerste twee jaar elke dag druk gemaakt: verkopen we wel genoeg flessen? Dat doe ik nu niet meer.’

Illustraties: Matt Kenyon

One Response