Torenhoge Amsterdamse ambities

De bouwtekening was al goedgekeurd, het materiaal ingekocht en de heipalen al metersdiep in de drassige grond geslagen. Toch kwam de 100 meter hoge Toren van Amsterdam er niet. Na de brand in de Nieuwe Kerk in 1645 besloot de burgemeester Backer op het laatste moment om een streep te zetten door wat het meest in het oog springende monument in het centrum had moeten worden.

Even een stapje naar het heden. Voorzitter van Bouwend Nederland Maxime Verhagen sprak eind december in De Telegraaf over de huisvestingsproblemen in de hoofdstad: “We moeten de rem durven los te laten. Om komende jaren onderdak te kunnen bieden aan 80.000 woningzoekenden, moet Amsterdam de hoogte in.”

Verhagen raakt een gevoelige snaar. Al eeuwenlang is hoogbouw in de hoofdstad een heikel punt. In de Gouden Eeuw werd al bewust niet hoger dan vijf of zes verdiepingen gebouwd, omdat het niet strookte met de calvinistische levensvisie van spaarzaamheid. Rijkdom in de wervelende wereldstad diende je niet te tonen; of alleen in achterkamertjes aan vertrouwelingen en vrienden. In later tijden werden voorstellen voor hoge gebouwen door ambtenaren van tafel geveegd omdat het ze het aangezicht van de historische binnenstad zouden vervuilen.

Hoogmoed
Anders dan andere grote steden ontbreekt het Amsterdam dan ook aan kenmerkende torens en opvallende wolkenkrabbers. De Rembrandttoren bij het Amstelstation meet 135 meter. De geplande nieuwbouw gaat daar maar krap 10 meter overheen; niet bepaald een indrukwekkende skyline.

Toch  waren er al in de vroeger tijden grote initiatieven in ontwikkeling van de stad . In 1645, na de brand in de Nieuwe Kerk aan de Dam, werd een schets voor een 100 meterhoge toren goedgekeurd door burgemeester Willem Backer: een bouwwerk dat als een naald in een zonnewijzer boven het centrum van Amsterdam uit had moeten komen. Een van de grootste protestantse bouwwerken in West-Europa, bedoeld om de stad behalve als economisch imperium ook als religieus centrum op de kaart te zetten.

Zesduizend palen werden in de grond geslagen om het imposante bouwwerk op zijn plaats te houden. Geld werd gereserveerd en materiaal ingekocht. Gek genoeg besloot de eerste burger vlak voor de aanleg om het hele project af te blazen. Er kwam een veel kleinere toren.

Macht van de kerk, geld van de burger
Volgens de overlevering was het vooral een geldkwestie. Historici menen dat Backer afzag van de aanleg van de Toren van Amsterdam omdat wethouders tegelijkertijd besloten hadden tot de aanleg van het kapitale Stadhuis op de Dam. Amsterdam was rijk, maar ook weer niet zo vermogend dat het twee monumentale projecten tegelijkertijd kon financieren.

Gabri van Tussenbroek schreef een boek over de Toren van Amsterdam. In zijn gedetailleerde onderzoekswerk beschrijft deze hoogleraar Stedelijke Identiteit en Monumenten aan de Universiteit van Amsterdam hoe gemeenteraadsleden, machtige inwoners en de kerk in de zeventiende eeuw voortdurend in de clinch lagen over de bouwplannen van hun ‘nieuwe stad’. Hij wijst op een ander scenario: een hoogopgelopen conflict tussen ‘God en Gulden’ – tussen vrome christenen die een monumentale toren wensten in de belangrijke stad en kooplieden die liever de macht van de burgerij wilden tonen dan die van de kerk of de staat. Die kooplieden wonnen; in 1648 werd begonnen met de aanleg van het Paleis op de Dam, zeventien jaar later werd het complex onthuld als een van de grootste bouwwerken in Europa.