‘Ik speel met mijn eigen perfectionisme’

Sommige ontwerpen van de Eindhovense ontwerper Tom Frencken lijken regelrecht uit Alice in Wonderland te komen. Ze hebben iets achteloos: bijna niets is recht. Maar schijn bedriegt. De ontwerpen hebben allemaal een bijzonder hoog afwerkingsniveau: ‘Juist omdat ze scheef zijn, moet ik extreem netjes werken.’

Tekst: Renske Schriemer & Cor-Peter Pasma, fotografie: Tom Frencken

Zeg je Tom Frencken, dan denk je aan…
‘Mijn Furniturecollectie. Die meubels hebben een hele duidelijke uitstraling die mensen vaak wel onthouden. Ze vallen op omdat ze niet lijken te kloppen. Soms denken mensen zelfs dat ze optisch voor de gek worden gehouden, maar ze zijn echt zo scheef.’

Hoe ben je erop gekomen om stoelen en kasten te maken die scheef zijn?
‘Die specifieke collectie heb ik bedacht om een manier te verzinnen om betaalbare unica (enkele stuks, red.) te kunnen maken. Vaak zijn unica erg duur. Ik wilde goedkoper werken door één plaat op te zagen in brede stroken en er dan iets van te maken. Het is ten dele gelukt. Door het hoge afwerkingsniveau zijn ze namelijk toch niet heel goedkoop.’

En hoe werk je? Teken je eerst alles uit en maak je dan een prototype?
‘Nee, ik maak geen tekening vooraf. Natuurlijk schets ik wel van alles; ik kom op die manier op een idee voor een vorm. Die schets probeer ik dan te vertalen naar de werkelijkheid. Maar het is eigenlijk een puzzel die tijdens het werken ontstaat, volledig op het oog. Enorm leuk om te doen. Soms levert dat hele mooie resultaten op die niet zo zijn bedoeld. Een prototype maak ik dus niet, ik maak meteen het werk.’

Slaat de collectie aan?
‘Ja, ik vind van wel. Zo mocht ik voor kunstuitleen De Krabbedans in Eindhoven het hele interieur op die manier in elkaar zetten. Dat was mooi, omdat het concept daardoor nog beter tot zijn recht komt. Volgens mij is mijn kracht dat ik speel me uitgesproken archetypische vormen die mensen direct herkennen, maar die dus ook net niet kloppen. Qua vorm dan, want ik ben een perfectionist. Dat het scheef is wil niet zeggen dat het niet past. Juist dan moet alles kloppen en beter zijn gemaakt.’

Is dat je doel ook, mensen met je ontwerpen op het verkeerde been zetten?
‘Nee, het is geen doel op zich. Maar mijn ontwerpen hebben wel vaak een cartoonesk ogende twist; ik zoek in mijn werk eigenlijk altijd naar contrasten. Dat hoeft niet altijd in vorm, het kan ook in de keuze van het materiaal zitten. Ik hoop op een ingetogen glimlach, maar wil ervoor waken dat dat het enige is wat mijn ontwerpen oproepen. Ze moeten ook mooi en functioneel zijn.’

Hoe doe je dat precies?
‘Mijn werk moet geen grap zijn. Dan lach je één keer, en als je de grap dan kent, is de lach voorbij. Ik probeer toch echt iets te maken waar mensen altijd blij mee zijn. Dus een stoel moet goed zitten en alles moet goed werken.’

Dat klinkt wel weer heel functioneel.
‘Zo bedoel ik dat niet. Ik houd juist ook van de schoonheid alleen. Daar begint het voor mij. Bij sommige ontwerpers lijkt het wel alsof je iets vies zegt als je alleen voor de schoonheid gaat. Daar ben ik het niet mee eens. Zo maak ik ook bijvoorbeeld sieraden of licht absurdistische objecten zoals het Flying Cabinet: een huisje zonder deuren en ramen dat lijkt te kunnen vliegen. Maar ik zorg er wel voor dat alles wat ik maak tot in de puntjes is afgewerkt. Je zou dus ook kunnen zeggen dat ik speel met mijn perfectionisme.’

Dus soms is dat genoeg: alleen maar gaan voor de schoonheid van de dingen?
‘Ja, dat vind ik wel. Zo heb ik ook de Odes gemaakt: objecten die eruit zien als stoelen, maar waar je niet op kunt zitten. Alle drie de ontwerpen zijn een ode aan beroemde stoelen van Eames en Stam. En, hoewel je toch duidelijk ziet dat ze niet bedoeld zijn om op te zitten, zijn er toch mensen die vragen hoe je ze moet gebruiken. Ik vind ze gewoon mooi.’