Het vergrootglas van taal

“Ik spreek Spaans tegen God, Italiaans tegen vrouwen, Frans tegen mannen en Duits tegen mijn paard.” Karel de Vijfde was ervan overtuigd dat elke taal zijn eigen ziel had. Ook tweetaligen hebben vaak het gevoel twee verschillende persoonlijkheden in zich mee te dragen, die anders tegen de wereld aankijken. Interessant kroeggesprek: in hoeverre bepaalt de taal die je spreekt de werkelijkheid die je waarneemt?

Homerus noemt in zijn Ilias en Odyssee zelden kleuren, hoewel hij een extreem gedetailleerd dichter was. En waar hij dat doet, heeft hij het over de ‘wijnkleurige zee’, ‘groen haar’ en ‘violette schapen’. Hij gebruikt wel vaak zwart en wit, vrijwel nooit blauw  – behalve voor de wenkbrauwen van Zeus. Ook in de oorspronkelijke teksten van de bijbel en de Indiase Veda’s blijkt opvallend weinig kleur voor te komen en nooit blauw.

Al in de negentiende eeuw kwam de discussie op gang of mensen toen kleurenblind waren, of de wereld anders zagen dan wij. Taalwetenschappers William Gladstone en Lazarus Geiger opperden dat men destijds eerder tinten beschreef dan kleuren: chloros (groen) leek eerder te verwijzen naar het frisse of verse van groen gras, vandaar ‘groen haar’ of ‘groene honing’ en de wijnkleurige zee zal een diepe tint hebben gehad. Exacte kleurkennis zou in de Oudheid nog nutteloos zijn; kleuren zouden pas hun namen krijgen vanaf het moment dat kunstmatige kleurstoffen werden gefabriceerd, ofwel, vanaf het moment dat kleuren losstonden van hun  object.

Europese antropologen en taalwetenschappers ontmoetten in diezelfde tijd steeds meer natuurvolkeren in onherbergzame gebieden en realiseerden zich dat onze Westerse kleurkennis uniek was. De Chuckchis, een Eskimovolk, kenden alleen de kleurnamen wit, zwart en rood. Blauw of groen werd zwart genoemd. Geel en oranje noemde men rood. Ook Nubiërs bleken geen blauw te kennen: dat werd zwart of groen genoemd; geel, groen en grijs kregen één naam. Opvallend was, dat heel veel natuurvolkeren geen woord voor blauw kenden. De lucht werd zwart genoemd, of wit.

Evolutie
Aanvankelijk werd gedacht dat deze volken en mensen in de Oudheid veel kleuren dan ook niet konden zien. Darwin had net zijn intrede gedaan: hun ogen zouden evolutionair nog niet ontwikkeld genoeg zijn om de kleuren te zien. Dit werd al snel weggezet als denkfout: als men Chuckchis of Nubiërs vroeg om twee dezelfde soorten blauwe of groene wol bij elkaar te leggen, konden zij dit, met enige aarzeling, vrij goed. En de Oudheid was te kort geleden voor zo’n enorme evolutionaire sprong.

Wat was er dan aan de hand? De kleuren in de natuur zijn vergelijkbaar met die van de regenboog: ze vormen een glijdende schaal. Toch hakken wij dat hele palet in stukjes en geven wij er namen aan: dit is blauw, dat is groen. Russen vinden het bijzonder geestig dat wij maar één naam hebben voor lichtblauw en donkerblauw. Dat zijn toch overduidelijk verschillende kleuren, vinden zij: goluboy en siniy, zoals wij verschillende namen hebben voor rood en roze.

Eigenlijk werkt dat zo met de hele werkelijkheid, die als een onafgebroken, betekenisloze stroom op ons afkomt. Taal is een manier om haar in hapklare brokken op te delen en te structureren. Maar de brokken waarin we dat doen, lijken vrij willekeurig. Zelfs binnen Europese talen: neem onze term ‘geluk’, die Engelsen opdelen ‘luck’ en ‘happiness’ of het Duitse ‘Haus’, dat bij ons zowel ‘huis’ als ‘flatgebouw’ betekent. Vinden wij geluk dan meer een kwestie van mazzel dan Engelstaligen?

Mannelijke brug
Twee taalkundigen, Edwin Sapir en Benjamin Lee Whorf, vervatten dit verschijnsel rond 1930 in een hypothese die zij hun verdere leven probeerden te bewijzen. Het eerste deel van hun stelling was: ‘mensen die een verschillende taal spreken, delen de wereld op in andere concepten’. Dat deel is onweerlegbaar. Het tweede deel van de Sapir-Whorf-hypothese zorgt nog steeds voor discussie: ‘mensen die een verschillende taal spreken, zullen dus ook de wereld anders waarnemen’.

Er zijn de afgelopen decennia heel wat taalkundige onderzoeken gedaan om deze stelling te bewijzen, vooral op het gebied van kleur. Zo blijken wij inderdaad sneller onderscheid te kunnen maken tussen blauw en groen dan iemand die in zijn taal dat onderscheid niet kent. Een ander bekend  experiment is er een waarbij de geslachtsassociaties bij vrouwelijke of mannelijke zelfstandige naamwoorden tussen Spaanstaligen en Duitstaligen vergeleken werden. De onderzoekers vroegen deelnemers om eigenschappen toe te kennen aan  plaatjes van voorwerpen. Spaanstaligen bleken een brug (el puente) eerder te beschouwen als  ‘groot, sterk, lang’ en Duitstaligen (die Brücke) als ‘mooi, elegant, slank’. Een sleutel ervoeren  Duitsers (der Schlüssel) eerder als ‘hard, gekarteld, zwaar’ en Spanjaarden (la llave) als ‘schattig, toverachtig, glanzend’.
Toen andere proefpersonen een stem moesten kiezen bij een vork als filmfiguurtje, waren Fransen (la fourchette) geneigd een vrouwelijke stem te kiezen en Spaanstaligen (el tenedor) een mannelijke. Het plaatje was diezelfde vork, maar hoe het voorwerp in een hoofd wordt opgeborgen, kan dus sterk afhangen van de taal.

Zuid-stap-west-stap
Je moedertaal kan zelfs voor een deel je gevoel voor richting bepalen. Het Tzeltalvolk in Mexico bijvoorbeeld, kent geen woorden voor links, rechts, voor of achter. Een Tzeltalspreker zal zeggen dat zijn glas ‘ten zuiden van de fles’ op tafel staat. Als een glas, een asbak en een kopje in die volgorde op tafel staan en hij moet die volgorde herhalen op een tafel recht achter hem (zodat hij 180 graden moet draaien), zal hij beginnen met het kopje: dat stond immers het meest zuidelijk. Een getalenteerde Tzeltaldanser kreeg ooit de kans om danslessen te volgen op een academie in New York, maar hij faalde. Niet omdat hij niet goed genoeg kon dansen, maar omdat hij niet kon omgaan met de concepten links, rechts, voor en achter.

Ook de grammatica kan bepalend zijn voor je beeld van de werkelijkheid. Econoom Keith Cheng onderzocht onlangs de correlatie tussen spaarzaamheid enerzijds en de rol van de toekomende tijd in een taal anderzijds. In Amerika moet je zeggen: it rained yesterday, it is raining today, it will rain tomorrow. In het Chinees zeg je: het regent gisteren, het regent vandaag en het regent morgen (maar dan in het Chinees). De verrassende  uitkomst was dat taalsprekers zónder toekomende tijd spaarzamer waren en meer investeerden in de toekomst. De verklaring van Cheng is dat verleden, heden en toekomst voor een Chinees een continuüm vormen, maar voor een Amerikaan drie in stukken gehakte brokken tijd, waardoor de toekomst meer losstaat van het nu.

Diezelfde econoom Cheng legt uit dat hij als Chinese Amerikaan zo’n verschil voelde als hij in het Engels moest zeggen: ‘This is my uncle’ of datzelfde in het Chinees, met verschillende woorden voor een oudere of jongere broer van vader of moeder, of een aangetrouwde oom en zo ja, van welke kant dan. Het Chinees dwong hem sterker om na te denken over familieverhoudingen, waardoor hij er automatisch meer waarde aan leek te hechten.  

Rijkdom
Je kunt dus stellen dat onze taal ons denken niet alleen structureert, maar ook onze aandacht een bepaalde kant op richt. En de grote vraag is of die aandacht ook onze waarneming verandert. Waarschijnlijk wel. Een kind dat alle namen van planten uit zijn omgeving heeft geleerd, zal een enorme soortenrijkdom waarnemen in een willekeurige berm. Een wijnproever die heeft geleerd dat een wijn naar rood fruit, hout, stal, vanille, drop, paddenstoelen, pruim, leer of bloemen kan smaken, zal wijnen veel beter kunnen proeven en beoordelen dan iemand die wijn alleen maar ‘lekker’ of ‘vies’ vindt.  

Kortom, taal structureert, geeft richting aan ons denken en stuurt onze aandacht. Dat wil niet zeggen dat taal ons beperkt. Het feit dat een Engelse vrouw zegt: “Our neighbour saw me in my negligé today”, wil niet zeggen dat haar man er niet in geïnteresseerd is of het de buurman of de buurvrouw was.