Feestelijk je dorp slopen

Bij ‘feest’ denk je aan een avondje praten, een tafel met borrelnootjes en drank, wat vrolijke muziek op de achtergrond, lichtvoetige conversatie en misschien dansen daarna. Maar in andere tijden en culturen kon het begrip ‘feest’ iets heel anders betekenen, zoals maandenlange maatschappelijke ontwrichting of eten op een graf.

Nieuwkomers in de polder moeten er vaak nogal aan wennen, die voorspelbare opbouw van onze ‘feesten’. Ook al bestaan er ook meer hedonistische varianten – oorverdovende of oorstrelende techno, geheimzinnige pilletjes en one night stands – over het algemeen hebben feesten in onze cultuur een redelijk eenduidige functie. ‘Feest’ is mensen ontmoeten, de sociale banden aanhalen, een beetje loskomen. De volgende dag kunnen we uitkateren en dan begint de werkweek weer. Maar het kan ook anders. Vroeger en nu kun je voorbeelden tegenkomen van feesten die het dagelijkse bestaan grondig opschudden: bizarre rituelen die soms maandenlang doorgingen. Hier zijn er drie.

Carnaval
Bij carnaval denken we tegenwoordig aan raar uitgedoste, hossende menigten, onzedelijke liederen en overvloedige bierconsumptie. Maar van oorsprong was dit eeuwenoude feest niet alleen enorm betekenisvol, maar ook een stuk radicaler in zijn uitingsvormen dan tegenwoordig. Voor de heidense Germaanse stammen waar carnaval zijn oorsprong vond, was het feest vooral een viering van het begin van de lente. Het woord carnaval is waarschijnlijk te herleiden tot het Latijn ‘carne levare’, ofwel afscheid van het vlees: het werd gevierd op het moment dat de wintervoorraden van boter en gerookte en gezouten vleeswaren tegen de grenzen van hun houdbaarheidsdatum aanliepen. Zo bood carnaval de laatste kans om een beetje van het leven te genieten, in de aanloop naar de karige weken voorafgaand aan de eerste lenteoogsten. De vreetpartijen gingen gepaard met feestelijke optochten, verkleedpartijen en een grote seksuele vrijheid.

De middeleeuwen waren het absolute hoogtepunt van het carnavalsfeest: tussen de dertiende en zeventiende eeuw duurde de carnavalstijd ruim twee maanden (!), waarin de wereld volledig op zijn kop stond. De regels, verplichtingen en beperkingen die in het dagelijks leven golden werden terzijde geschoven, de gebruikelijke maatschappelijke rolverdeling werd tijdelijk ongeldig verklaard en tijdens het carnaval was niets of niemand boven spot verheven. Koningen en prinsen, de adel en de geestelijkheid, ze moesten er allemaal aan geloven. De Russische filosoof Bachtin beschreef het middeleeuwse bestaan zelfs als één groot dubbelleven, met enerzijds het normale, serieuze en vaak kwellende dagelijkse bestaan, waarin mensen onderworpen waren aan strikte hiërarchie en dogmatisme; en anderzijds het carnavalsseizoen, waarin men vrij was om al het heilige te bespotten en informeel contact te onderhouden met iedereen, ongeacht rangen of standen.

Hoewel carnaval – in Nederland althans – zijn culturele functie als grote ‘maatschappelijke gelijkmaker’ heeft verloren, toch is veel van de symboliek nog altijd springlevend. Door een clown (Prins Carnaval ) in een feestelijk ritueel tot opperste leider te verklaren, wordt de omgekeerde wereld officieel ingeleid. Carnaval is dus eigenlijk, in weerwil van wat je van dit katholieke feest zou denken, een feest waarin vooral de wereldlijke machtsverhoudingen aan de kaak worden gesteld.

Dag van de Doden
De Día de Muertos, ‘Dag van de Doden’, is een feest dat in het bijzonder in het zuidelijke deel van Mexico gevierd wordt tussen 31 oktober en 2 november. Het heeft zijn oorsprong in een Azteeks festival gewijd aan de godin Mictecacihuatl, de koningin van de onderwereld. De Azteken en andere Meso-Amerikaanse volkeren kenden het gebruik om hun voorouders te vereren door hun schedels te bewaren en te versieren. Na de komst van de Spanjaarden werd het feest verplaatst van de vroege zomer naar Allerzielen en kreeg het steeds meer katholieke kenmerken.

Op de Dag van de Doden – zo gaat de mythe – wordt de poort van de onderwereld geopend en krijgen de zielen van de overledenen een dagje vrij van hun verplichtingen in de hemel, zodat ze op vakantie kunnen gaan naar het rijk der levenden. Daar worden ze door de Mexicanen feestelijk verwelkomd, op een manier die voor buitenstaanders vaak nogal luguber aandoet: de feestgangers trekken massaal naar het kerkhof om grafstenen schoon te maken en te versieren, om daar vervolgens gezellig op te gaan zitten picknicken. Kinderen verven suikerschedels en knutselen skeletten van karton en papier maché. Volwassenen schrijven spottende grafschriften voor nog levende vrienden of familie: zogenaamde calaveras, ofwel lichtelijk morbide varianten van het sinterklaasgedicht.

Gezinnen spenderen soms een heel maandsalaris aan een spectaculair altaar vol wilde bloemen, standbeeldjes van engelen, kaarsen, fruit, portretten van overleden familie en afbeeldingen van katholieke heiligen. Ze geloven dat de dankbare geesten van hun voorouders hen zullen belonen met wijsheid en welvaart. In tegenstelling tot het nogal commerciële Halloween is de Dag van de Doden nog altijd een feest waarin spiritualiteit en gemeenschapszin centraal staan; iedereen neemt eraan deel: piepjong, stokoud en allang overleden. Zelfs op de crèche wordt de gelegenheid aangegrepen om leven en dood aan peuters uit te leggen. Het klinkt allemaal misschien een beetje duister, maar toch is de Dag van de Doden in de kern een heel hoopvol en warm ritueel, dat mensen helpt om hun natuurlijke angst voor de dood te bezweren – iets wat we natuurlijk allemaal wel kunnen gebruiken.

Potlatch
De potlatch – een woord dat zoiets betekent als ‘consumptie’ – is een gebruik dat voornamelijk voorkwam onder de inheemse Indianenvolkeren aan de westkust van Noord-Amerika. Tegenwoordig is dit feest allang verdwenen en vervangen door de Westerse geldeconomie, maar vroeger was de winter voor deze stammen het potlatchseizoen bij uitstek, waarin men zich kon verheugen op een eindeloze aaneensluiting van banketten, bruiloften, offerfeesten, religieuze rituelen en jaarmarkten. Uniek aan de potlatch is het destructieve en competitieve aspect van de feestviering: alle rijkdommen die in de voorafgaande maanden met veel moeite waren opgespaard, werden in een potlatch achteloos verbrast.

Op de gigantische potlatchfeesten, die dag en nacht doorgingen, kwamen verschillende stammen bijeen om onderling te wedijveren en hun rijkdom tentoon te spreiden. Zo werden er in een typische potlatch talloze slaven willekeurig terechtgesteld en stapels dure spullen vernield. Westerse antropologen beschreven hoe de stamleiders maar al te graag bereid waren om hun eigen onderkomen in brand te steken, om hun minachting voor materiële rijkdom te bewijzen. Hoe extravaganter de spilzucht, hoe meer macht en sociale status een volk eraan kon ontlenen. In een potlatch werd gestreden om huwelijken, handelsrelaties en toegang tot leiderschapsposities in de gemeenschap.

Halve dorpen, dozen walvisolie, en honderden dierenhuiden konden in vlammen opgaan tijdens een potlatch; de meest waardevolle koperen artefacten werden in zee geworpen om rivaliserende stammen te verpletteren door middel van nonchalante waardevernietiging. Een stamhoofd moest regelmatig een potlatch geven om zijn heerschappij over het dorp en zijn volk te bewaken. Alleen door méér rijkdom te verbrassen dan anderen, door hen te vernederen met zijn grootmoedigheid, kon hij zijn macht en status ten opzichte van andere ‘edellieden’ in het dorp legitimeren. De potlatch was dus veel meer dan een feestdag of feestperiode: het was een alomvattend politiek, militair, socio-economisch en religieus systeem. Je kunt er van alles van vinden, maar je moet toegeven: dáár kunnen we met onze feestjes met biertjes en bitterballen niet tegenop.