Dansen op een koord tussen feit en fictie

Julius Caesar liet zijn succesvolle veroveringstochten zorgvuldig documenteren. Stalin liet uit de gratie gevallen partijleden rücksichtslos uit alle officiële foto’s wissen. En Hitlers historici herschreven Duitslands rol in de Eerste Wereldoorlog van agressor tot slachtoffer. Geschiedenis is politiek en historici zijn schaamteloze manipulators. En ja, dat geldt ook vandaag de dag in onze democratische rechtsstaat.

Door: Bart van Ratingen

Het zou een geweldige scoop zijn: het nieuws dat er in Nederland een geheimzinnige samenzwering van historici actief is die ons doelbewust voorliegt over onze eigen geschiedenis.

Nu voelt iedereen wel aan dat dit nogal onwaarschijnlijk nieuws is (al was het maar omdat die historici het daarvoor eerst überhaupt met elkaar eens zouden moeten worden). Tegelijkertijd voelt iedereen ook wel aan dat geschiedschrijving nooit neutraal is, en meer dan het feitelijk opsommen van ‘dingen die gebeurd zijn’. Elke geschiedschrijver geeft vorm aan een narratief, vertelt een verhaal. En die verhalen, zelfs wanneer ze dezelfde gebeurtenissen tot hun onderwerp rekenen, verschillen sterk van elkaar. Historici hebben nu eenmaal verschillende interpretaties van hun bronnen, leggen andere oorzakelijke verbanden, en verdelen de hoofd- en bijrollen in de geschiedenis zelf.

In principe geen probleem. Maar onder de oppervlakte kunnen bij dat proces politieke, psychologische, en maatschappelijke belangen spelen die met waarheidsvinding weinig te maken hebben. Een historicus kan de geschiedenis in een bepaald licht presenteren omdat zijn werkgever daar nu eenmaal om vraagt; omdat het zijn eigen carrière bevordert; omdat hij een bepaald beleid of politieke stellingname wil staven; noem maar op. De geschiedenis is daardoor kwetsbaar voor gebruik of misbruik ten behoeve van allerlei, niet altijd even vredelievende, doeleinden.

Gebruik en misbruik

Artsen moeten al sinds 400 voor Christus een eed afleggen, waarin ze bezweren hun patiënten geen kwaad te doen. Maar historici tonen weinig systematische interesse voor de morele verantwoordelijkheid van hun vakgebied.” Aan de lijn is dr. Antoon de Baets, bijzonder hoogleraar Geschiedenis, Ethiek en Mensenrechten aan de Universiteit Groningen. Die naïviteit heeft volgens De Baets kwalijke gevolgen: maar bar weinig geschiedkundigen zijn zich voldoende bewust van de manieren waarop hun werk zich kan lenen voor politieke propaganda. “Ze denken dat misbruik van de geschiedenis iets is dat alleen bij de nazi’s en communisten voorkwam. Maar het gebeurt continu, overal ter wereld, ook nu, en ook in Nederland. Het enige verschil is dat we er in democratische landen direct een debat over kunnen voeren.”

‘Iedereen voelt wel aan dat geschiedschrijving nooit neutraal is’

In een dictatuur is geschiedenis vaak onafscheidelijk verbonden met de staat: censuur en geheime dienst zorgen ervoor dat er nog maar één narratief, met officiële goedkeuring, de ronde doet. In semidemocratische staten als Rusland, Hongarije en Turkije worden historici vaak onder druk gezet om de geschiedenis zodanig te presenteren dat ze zich soepel leent voor de politieke doeleinden van de regering. Maar ook in de vrije Westerse democratieën wordt niet altijd op even verantwoordelijke wijze beroep gedaan op de historie. Denk nog eens terug aan onze eigen minister-president Balkenende, die ons land in 2006 opriep om haar ‘VOC-mentaliteit’ te hervinden. Zijn verbeelding van onze koloniale geschiedenis als bovenal een tijd van dynamiek, optimisme en ‘over grenzen heen kijken’ ging nogal gemakkelijk voorbij aan de ruim 75.000 slaven die onder dat bewind verhandeld en te werk gesteld werden. Onder andere. Misschien wat ongevoelig van onze toenmalige premier, maar ook niet meer dan menselijk. “Als er één ding is dat alle volkeren ter wereld verbindt”, aldus de vooraanstaande historica Margaret MacMillan, “is het een vermogen om de plank totaal mis te slaan waar het de geschiedenis betreft.”

Oorlog en vrede

“Geschiedenis wordt geschreven door de winnaars”, zei de Engelse oorlogsminister Churchill ooit. En de nazaten van die winnaars gaan er vervolgens weer mee aan de haal, waardoor de plooien en kronkels van al die narratieven op den duur nauwelijks meer te ontwarren zijn. Surrealistisch voorbeeldje: de vooravond van de Irak-oorlog vergeleek de Amerikaanse regering de Irakese dictator Saddam Hoessein regelmatig met Adolf Hitler – een monster dat zijn eigen bevolking uitroeide. President Bush sommeerde Europese regeringen, die blijk gaven van terughoudendheid, om het land binnen te vallen en daarmee gehoor te geven aan ‘de lessen van de geschiedenis’. Gedoeld werd op de conferentie van München in 1938, waar de Engelse minister-president Chamberlain een laatste kansloze poging ondernam om de oorlogszuchtige retoriek van nazi-Duitsland met vleierij te beteugelen.

“Geschiedenis wordt geschreven door de winnaars”


De boodschap was helder: het was te laat om te onderhandelen. Wie niet meedeed met de Amerikaanse aanval maakte zich schuldig aan appeasement, aan nazi-vriendelijke concessiepolitiek. De Duitse minister van Justitie, Herta Däubler-Gemlin, reageerde gestoken. “Bush wil met zijn oorlog de aandacht afleiden van zijn eigen binnenlandse problemen. Een ouderwetse tactiek. Hitler gebruikte hem ook.” Zo gemakkelijk leent de geschiedenis zich voor manipulatie: zowel voor- als tegenstanders van de oorlog werden beschuldigd van nationaalsocialistische sympathieën, waarna elk rationeel debat vanzelfsprekend verstomde.

Tussen feit en fictie

De Baets hamert voortdurend op het gevaar van zulke simplificaties, en ziet het als de morele verplichting van geschiedkundigen om zich daar volmondig tegen uit te spreken. Met zijn internationale Network of Concerned Historians streeft hij daarom naar een Hippocratische eed voor de geschiedkundige, geworteld in de Universele Declaratie van de Rechten van de Mens. “Historici zouden systematisch en expliciet moeten kunnen uitleggen wat een verantwoordelijk gebruik van de geschiedenis inhoudt, en wat hun rechten en plichten daarbij zijn.”

Hippocratische eed of niet: het is maar de vraag of iemand zich er iets van aan zal trekken. De geschiedschrijver danst op een koord tussen feit en fictie, betracht een wetenschap te beoefenen die onvermijdelijk emotioneel geladen is. Onze geschiedenis bepaalt wie we zijn: als land, als cultuur, en als individu. Daarom lijkt de geschiedschrijving in de praktijk onherroepelijk uit te monden in een politiek slagveld: vrijwel niemand is bereid zijn identiteit en oorsprongsverhalen toe te vertrouwen aan historici. En dat is misschien maar goed ook: had Churchill de nazi’s ook verslagen zonder een beroep op de romantische mythologie van het onbedwingbare Britse eiland, de stiff upper lips waar zelfs de Romeinen hun tanden op stukgebeten hadden?